Vrijdag 19 november 2010

Om 20.40 uur namen we de bus naar Schiphol. De afgelopen week hadden we de rugzakken ingepakt en ons voorbereid op ons vertrek naar Nepal.
Met de bus waren we snel op Schiphol. Het was erg stil op de luchthaven, wat erg opvallend was. Alleen bij incheckbalie 27 stond een lange rij. Er was één balie geopend voor de passagiers die een ticket in de comfortklasse van Arkefly hadden geboekt en één balie voor de economyklaspassagiers, waar wij achter in de rij aansloten. Daarnaast was er een balie voor de drop-off van de bagage. Tijdens het wachten deden we de beschermhoes om de rugzakken.
Door de grondstewardess kregen we twee stoelen op rij 31 in het toestel aangewezen, de achterste rij in de Boeing 737-800. Na het inchecken liepen we door de douane en keken we nog even rond in het tax “free” gedeelte van de luchthaven, waar de goederen over het algemeen duurder zijn dan in de winkels in Nederland. Ook in het tax-free gedeelte was het opvallend rustig en we liepen snel door naar de gate. Bij de gate moesten we voor het eerst door de bodyscan om vervolgens gefouilleerd te worden; één van de twee stappen lijkt me overbodig.
Het vliegtuig vertrok met een kleine vertraging vanaf de Kaagbaan naar Bahrein voor een tussenlanding. De vlucht zou 6,5 uur duren. Al snel na het opstijgen om 23.45 uur vielen de oogjes dicht om ze pas weer te openen toen de piloot de landing op Bahrein aankondigde. Even voor de landing zagen we dat de stad uit een hoop zand en enkele verlaten wegen met rotondes bestond. In de verte waren enkele wolkenkrabbers te zien. Even voordat het toestel de landingsbaan raakte, vlogen we pas langs een woonwijk met diverse moskeeen, te herkennen aan de minaretten.
Op Bahrein verlieten we het toestel via een trap en werden we met de bus naar de aankomsthal gebracht, waar we een transitpas uitgereikt kregen. We liepen door een lange gang en kwamen aan bij de bagagecontrole, waar de bagage door het rontgenapparaat moest en wij door de metaaldetector. Daarna namen we de trap naar de eerste verdieping en kwamen we uit in het taxfree gedeelte van Bahrein Airport. In tegenstelling tot de grauwe een eenvoudige stad die we tijdens de landing hadden gezien, was het hier een oase van luxe. Goed geoutilleerde taxfreewinkels en winkels met versnaperingen. Mannen gekleed in witte gewaden en gesluierde vrouwen liepen tussen westers gekleedde toeristen.

Na krap 45 minuten moesten we ons alweer melden bij de gate, leverden we onze transitpassen in en werden we weer met de bus naar het vliegtuig gebracht. De crew was gewisseld en de nieuwe piloot kwam meteen met de mededeling dat het vertrek nog minimaal 10 minuten zou duren. Door onverwacht sterke wind mee in de straalstroom op zo’n 10 kilometer hoogte zouden we veel sneller reizen datn verwacht. De vlucht naar Kathmandu zou ‘slechts 3 uur en 50 minuten duren en we zouden een tijdwinst boeken van 1,5 uur. Om die reden moesten we nu langer aan de grond wachten. We zouden over “moeilijke” gebieden vliegen, zoals Iran en Pakistan en de piloot gaf de voorkeur zich aan hetvluchtschema te houden.

Om 16.15 uur landden we op de luchthaven van Kathmandu. In het vliegtuig hadden we al een visumformulier uitgereikt gekregen en ingevuld, maar dat was het halve werk. Op de luchthaven zelf moest namelijk ook nog een ander A4-tje worden ingevuld. En dat deden we tijdens het wachten voor de immigratiebalie. Al vrij snel waren we twee keer € 32,- en per persoon twee pasfoto’s armer, maar ook twee visa voor de duur van één maand rijker en stonden we buiten het luchthavengebouw. We liepen buiten het luchthavengebouw om naar een geldautomaat, waar we de eerste 10.000 rupees (maximaal op te nemen bedrag per dag per pasje) pinden en we namen daarna een taxi naar het Sacred Valley Inn guesthouse in Thamel, Kathmandu. Toen we in de buurt van Thamel kwamen, herkenden we de weg al en wisten we waar we ons bevonden. De taxichauffeur had ons tijdens de rit naar Thamel nog geprobeerd te overreden om naar het hotel van zijn keuze te rijden, maar nadat we hadden aangegeven daar niet in geinteresseerd te zijn, reed hij naar Thamel om daar aangekomen eerst maar eens de weg te vragen naar het Sacred Valley Inn.
We werden netjes voor de deur van het hotel afgezet en kregen een kamer toegewezen aan de achterzijde van het hotel op de derde etage. De kamer zag er eenvoudig, maar netjes uit. Nadat we de tassen op de kamer hadden gelegd, liepen we wat door de straatjes van Thamel om uit te komen bij het Third Eye restaurant. Het restaurant zat nog op dezelfde plek als zeven jaar geleden. De eerste indruk van Thamel was dat er in al die jaren niets was veranderd.
In het restaurant aten we een Indiase maaltijd en na het eten kochten we bij de supermarkt op de hoek twee liter water. Daarna begaven we ons terug naar het hotel, waar we rond 21.00 uur op bed lagen, te genieten van het lawaai van een generator.


Zondag 21 november 2010

Om 8.00 uur ging de wekker, maar pas rond 8.45 uur waren we ook echt bereid om op te staan. We kleedden ons aan en liepen vervolgens naar de Pumpernickel backery. Op straat was het heerlijk rustig. Winkels gingen net open en de uitstallingen voor de winkels werden net weer toonbaar gemaakt. Alle handelswaar kwam weer uit de dozen waar het de avond daarvoor was verpakt en werd ordelijk uitgestald.
De Pumpernickel was niet meer zoals we het kenden van onze vorige reis. Het was nu een echte winkel, daar waar het zeven jaar geleden bestond uit een aantal tafeltjes in een tuin. Nadat we onze bestelling hadden geplaatst liepen we door de bakkerij naar achteren en kwamen we in een tuin, die verdomd veel op de oude tuin leek. Pas na lang wikken en wegen, kwamen we erachter dat er op de plek van de oude ingang nu bebouwing stond en dat alleen de entree was verplaats van een zijstraatje naar de hoofdstraat. We hadden een sandwich met yakkaas, sla,tomaat en komkommer besteld, een glas verse jus d’orange en een potje koffie (in totaal 700 rupees (€ 7,-) voor twee personen), dat ons goed smaakte.
Na het ontbijt liepen we in de richting van de Barkhor. De eerste wandeltocht in de Lonely Planet begint bij de Barkhor. Op weg naar het beginpunt liepen we langs een aantal trekkingwinkels en informeerden we naar de prijs van een paar wandelstokken. Hoewel vrijwel alle trekkingwinkels hetzelfde verkopen, kwamen we erachter dat er een behoorlijk prijsverschil tussen de winkels bestond, oplopend tot 500 rupees (33%) voor dezelfde stokken. Om een en ander in perspectief te zetten: 500 rupees staat ongeveer gelijk aan een ontbijt voor twee personen, een avondmaaltijd voor één persoon of bijna twee flessen bier) Vanaf het beginpunt bij de Thahiti Tole – een stupa – volgden we de wandeling. De eerste stop was bij een pleintje met (weer) een grote witte stupa met daaraan een hoop gekleurde gebedsvlaggetjes bevestigd, alsmede een Tibetaans klooster. Uit het klooster schalde een enorm lawaai, wat wij direct herkenden als de muziek die ook vanuit de kloosters in Tibet schalde. In de tempel zaten in twee rijen tegenover elkaar een stuk of 12 jonge Tibetaantjes in kleermakerzit op de grond en zij maakten de muziek.
We deden de schoenen uit en betraden de tempel. Het was erg leuk om weer terug te zijn in een Tibetaans klooster en direct kwamen de herinneringen van onze twee reizen naar Tibet naar boven.
De inrichting van de tempel was zoals we ‘m gewend waren: rode zuilen, Thanka-schilderingen aan de wand en tegen het plafond en aan de achterzijde van de tempel stonden buddhabeelden achter glas met vele offerandes ervoor. Natuurlijk brandden er kaarsjes op jakboter. Buiten de tempel draaide in een apart gebouwtje een enorme gebedsmolen, electrisch aangedreven. Er ging geregeld een aanhanger van het buddhisme naar binnen die kloksgewijs met de draaiende gebedsmolen meeliep, z’n gebeden al murmelend opzeggend en ons aanmoedigend om ook een aantal rondjes mee te lopen, wat we natuurlijk niet nalieten. Uit een metalen kast op het terein van de tempel kwam een aangename warmte, voortgebracht door honderden brandende kaarsjes.

Rondom de grote witte stupa stond nog een tiental wat lagere stupa’s en daar tussendoor waren schoolkinderen van het aan het plein grenzende basisschooltje tikkertje aan het spelen en zij sloegen geen acht op de toeristen.
We liepen terug naar de straat en zagen een monnik gezeten op een laag plastic kinderstoeltje, thee met melk drinken terwijl hij met z’n mobiele telefoon speelde. Terug in de straat moesten we weer oppassen op de vele motoren en witte Suzuki Alto’s, die hier als taxi dienen. Het aantal gemotoriseerde voertuigen, en dan met name motoren, is in de afgelopen 7 jaar dramatisch toegenomen. De motorrijders vindt je tot in de kleinste steegjes en ze proberen al toeterend hun weg te vinden door de winkelende menigte. De fietstaxi’s zijn zo goed al helemaal uit het straatbeeld verdwenen.

Klik op foto voor vergroting Tempel nabij Durbar Square

Klik op foto voor vergroting
Winkelstraat

Klik op foto voor vergroting Eén van de tempels op Durbar Square

We vervolgden onze route en liepen door de winkelstraten langs een tiental tempels en tempeltjes. Goh, wat is alles toch fotogeniek! Daar waar we 7 jaar geleden nog selectief moesten zijn met fotograferen met onze analoge spiegelreflex camera, konden we nu naar hartelust alles vastleggen met onze digitale Eos 500d. En waar we vroeger veel tijd kwijt waren met het inplakken van de foto’s eenmaal terug in Nederland, zullen we nu geconfronteerd worden met evenveel werk aan het maken van een selectie van de mooitste geschoten plaatjes.
Uiteindelijk kwamen we aan op Durbar square, waar we 300 rupees (€ 3,-) entree per persoonb betaalden. We liepen daarna meteen door naar het “site office”, waar we onze toegangskaart voor één keer lieten omzetten naar een toegangskaart die gedurende de hele vakantie geldig is. Het enige dat daarvoor nodig was, was één pasfoto en het laten zien van het paspoort, waarin het visum zit. Marjolijn d’r toegangskaart kreeg door een verschrijving van de medewerker zelf een geldigheid voor twee jaar.
Durbar square lag en nog steeds zo mooi bij als drie jaar geleden. Naast veel toeristen hing er een groot aantal “wanna be” gidsen rond, die soms tot vervelends toe hun diensten probeerden aan te smeren. Niet omdat ze zo vasthoudend zijn, maar meer vanwege het aantal gidsen dat er ronmdloopt.
We genoten van de vele mooie tempels die prachtig afstaken tegen de blauwe hemel. Veel dragers liepen met een zware last op de rug over het plein. Geen idee waar ze vandaan kwamen en waar ze naar toe gingen. We bezochten de Maru Hitti, een eeuwenoude waterplaats die direct achter het Durbar Square ligt. Zelfs nu nog tappen buurtbewoners hier water.
Op het terras van het Festive Fare restaurant op de derde etage dronken we een flesje cola en aten we heerlijke vegetarisch Pakora’s. We zaten aan de rand van het dakterras en hadden een prachtig uitzicht over Durbar Square en in de verte was de Swayambunath tempel op de heuveltop zichtbaar.

Na de lichte lunch liepen we naar New Road alwaar zich een aantal fotowinkels bevindt. De laatste keer in Nepal kochten we hier een telelens voor de analoge camera, die toen in Nepal vele malen goedkoper was dan in de winkels in Nederland. Het internet heeft inmiddels dit voordeel tenietgedaan. Net voor vertrek naar Nepal hadden we een telelens gekocht voor onze digitale spiegelreflexcamera, maar we hadden nog geen UV-filters en nog geen polarisatiefilter. En die gingen we nu aanschaffen. We kochten twee originele Canon UV-filters en een polarisatiefilter van het merk Hoya, tezamen voor 4.600 rupees (€ 46,-). Toch nog stukken goedkoper dan in Nederland, waar alleen al de polarisatiefilter € 46,- kost.

Het liep al tegen drieen in de middag en we besloten om terug te lopen naar het hotel. Onderweg kochten we bij een apotheek aan de New Road nog twee strips Diamox (medicijn tegen hoogteziekte) en enkele zakjes ORS (tegen uitdrogingsverschijnselen na diaree).
In het hotel wachtte de eigenaar al op ons. We zouden de details van de trekking doornemen. Hij jad enkele pasfoto’s van ons nodig en onze paspoortnummers voor een verzekering die tegenwoordig verplicht schijnt te zijn, het zogenaamde TIMS-permit. Later zou blijken dat deze verzekering ter dekking van onvoorziene kosten was die te maken zouden hebben met de drager en niet zo zeer met ons zelf. Morgen zouden we onze eigen ACAP-permit regelen bij het kantoor van ACAP, maar de eigenaar van het hotel zou zorgdragen voor de bustisckets naar Besishar, waar de Annapurnatrekking zou beginnen. Ook had hij geregeld dat de gids even langs zou komen in het hotel en dus konden we direct kennismaken met Ramesh Lamichhane –een op eerste gezicht sympatieke Nepalese jongeman van 25 jaar oud.
Klik op foto voor vergroting
Nadat we een en ander voor de trekking hadden geregeld, liepen we naar het Ying Yang restaurant. Onderweg kochten we een paar wandelstokken met een “anti schok” systeem voor 1.200 rupees. Nu hebben we alleen nog iodinedruppels nodig om het water te kunnen zuiveren en dan zijn we gereed voor de wandeltocht.
Het Thaise eten bij het Ying Yang restaurant was uitstekend. We zaten op kussens op de grond aan een laag tafeltje.
Na het eten (21.00 uur) liepen we terug naar het hotel door inmiddels donkere straten van Thamel. Vrijwel alle winkels waren gesloten. Na sluitingstijd domineren stalen rolluiken het straatbeeld van Thamel. Vlakbij het hotel kwam een oorverdovend lawaai ons tegemoet. Overal stonden generatoren te loeien en zo ook onder ons raam in het hotel. Vrijwel ieder hotel heeft een eigen generator om electriciteit op te wekken tijdens de dagelijkse stroomuitval. Met name in de periode november en december schijnt de electriciteitstoevoer gedurende enkele uren te worden onderbroken, omdat er simpelweg geen electriciteit is. Lage waterstanden in de rivier zorgen ervoor dat er te weinig stroom kan worden opgewekt om aan de vraag te voldoen. Generatoren nemen die stroomvraag dan tijdelijk over. Later tijdens ons verblijf in Thamel zou blijken dat iedere avond tussen 19.30 uur en 22.00 uur de generatoren werden opgestart.
Nadat de generator onder ons raam tot rust gekomen was, namen de discotheek even verderop het stokje over met een enorm lawaai.


Maandag 22 november 2010

Een halve dag in een taxi… Dit kenmerkt bijna deze dag in Kathmandu.
We vingen de dag aan met een ontbijt bij de Pumpernickel. Evenals gisterochtend was het ook vanochtend lang wachten op onze bestelling. De bakkerij lijkt ten onder te gaan aan haar eigen succes; goed ontbijt maar tergend langzame bediening. Pas na 45 minutenwachten kregen we onze sandwiches.

Om 10.00 uur moesten we terug zijn in het hotel, want Ramesh zou ons meenemen naar het ACAP, waar we onze trekking permits zouden halen. Na zo’n 20 minuten wandelen waren we er en vulden we een formulier in. Aan de balie gaven we het formulier tezamen met 2 x 2.000 rupees en twee pasfoto’s af. De permits zijn in al die jaren niet duurder geworden. Binnen 10 minuten was alles geregeld en stonden we weer buiten. We liepen naar enkele apotheker in de buurt van het ziekenhuis om daar Iodine te proberen te bemachtigen, maar geen van de (vele) apotheken had Iodine. Wel verkochten ze Chorine, maar die is niet effectief genoeg. (pas veel later zouden we erachter komen dat supermarkten en trekking shops wél Iodinetabletten verkopen). Voor ons zat er niets anders op dan te vertrouwen op de vele waterpunten van het ACAP tijdens de trekking.
De eigenaar van het hotel had de bustickets geregeld (700 rupees per persoon), alsmede de verzekering (1.100 rupees pp). In het hotel rekenden we alles af en betaalden we ook alvast een voorschot voor de drager van 10 dagen. Achteraf zouden we de rest betalen.

We namen een taxi naar Patan. Er stond al een taxi te wachten voor het hotel en we hadden de eigenaar gevraagd wat een redelijke prijs zou zijn naar Patan, dus de prijsonderhandeling met de taxichauffeur ging snel.

Klik op foto voor vergroting Tempels op Durbar Square in Patan

Over de vijf kilometer naar Patan deden we bijna 45 minuten. Het was vrijwel één lange file tot in Patan. Bij Durbar Square in Patan betaalden we de de 200 rupees entry fee en lieten we de geldigheid van ons toegangsbewijs meteen verlengen tot één maand. We genoten van de mooie tempels op het plein en daarna brachten we een bezoek aan het museum op het plein. In het museum was een tentoonstelling van tientallen buddhabeelden en hindoeistische beeldjes, de meeste gegoten in brons. Teksten in engels vertelden hoe we de goden die in de beelden werden uitgedrukt konden herkennen.

Klik op foto voor vergroting Tempels op Durbar Square in Patan

Na het bezoek aan het museum maakten we de wandeltoer die in de Lonely Planet staat en kwamen we onder andere langs de gouden tempel die erg mooi en decoratief was. Jammer was dat de tempel deels in de steigers stond.
In enkele winkeltjes keken we naar wat bronzen beeldjes, die hier in overvloed te verkrijgen zijn. We hebben de wens om enkele beeldjes mee terug te nemen naar Nederland, dus het kwam mooi uit dat we ons een beetje op het aanbod en de prijzen ervan konden orienteren. We kwamen erachter dat ook hier vrijwel alle winkeltjes min of meer hetzelfde aanbieden, maar allemaal tegen verschillende prijzen. We zochten met name een beeld van een dansende Shiva en kwamen erachter dat de beste prijs zo rond de € 75,- lag (voor een beeld met een diameter van 14 centimeter en een gewicht van ongeveer 5 kilo). In Nederland zou voor zo’n zelfde beeld al snel twee keer zoveel moeten worden neergelegd.
Na ons bezoek aan Patan namen we rond 15.30 uur een taxi naar Budnath. Het werd weer een eindeloze rit, alhoewel de afstand ‘slechts’ 6 kilometer zou zijn. Er was zoveel verkeer op de weg dat we als een rups door Kathmandu voortbewogen. Pas tegen de schemering kwamen we aan in Budnath, betaalden de toegangsprijs en daarna begaven we ons in de menigte die kloksgewijs om de enorme witte stupa heenliep. Budnath is een Tibetaanse bedevaartsoort en om de stupa heen wonen erg veel Tibetanen. Ook in de menigte liepen erg veel Tibetanen. Ze zijn duidelijk herkenbaar aan hun donkere huidskleur, de haardracht en de kledendracht. Met name de vrouwen dragen prachtige kleding; een soort van schort voor hun buik en benen met veelkleurige horizontale strepen. Natuurlijk zijn de Tibetanen ook direct herkenbaar aan hun gebedsmolens die ze al wandelend ronddraaien en hun turquoise sierraden.
We beklommen de stupa (alleen op het onderste deel van de stupa mag je lopen) en liepen kloksgewijs om de stupa. We kwamen langs een grote groep prostrerende vrouwen; handen boven het hoofd, vervolgens handen voor de borst en daarna gaan ze op de knieen en laten ze zich languit op een houten plank glijden om vervolgens wee op te staan en het ritueel te herhalen. En dat gaat zo tientallen keren door (108 is in Tibet een heilig getal, dus het zal me niets verbazen als ze deze handeling 108 keer herhalen).
We bekeken nog vluchtig het klooster aan het plein, maar dat was gesloten wegens renovatie en daarna namen we een taxi terug naar het hotel.

Klik op foto voor vergroting Budnath

Klik op foto voor vergroting Budnath

Klik op foto voor vergroting Budnath

We dineerden bij het Kilroy’s Restaurant; een Iers restaurant met excellent eten. We hadden een romantisch diner bij kaarslicht, omdat de electriciteit weer eens was uitgevallen. Marjolijn had een chicken tikka masala en ik had een kipfilet met kaas een een rösti (in een driehoek) met champignonsaus.
Na het eten gingen we nog snel even internetten en daarna terug naar het hotel om de rugzakken te herpakken. De helft van de spullen zouden we in één rugzak achterlaten in het hotel en de andere helft gaat Ramesh dragen in de andere rugzak tijdens de wandeltocht.
We zijn klaar voor het avontuur van morgen!


Dinsdag 23 november 2010

Klik op foto voor vergroting Onze 'VIP' bus naar Bulbulhe

Gisteravond hadden we onze ontbijtwensen voor vanochtend achtergelaten bij de receptie van het hotel. Het ontbijt zou om 06.40 uur zijn. Tien minuten daarvoor ging de wekker. Toen we ons naar het restaurant op het dakterras begaven, bleek dat alles nog klaargemaakt moest worden en dat terwijl we met Ramesh om 07.00 uur hadden afgesproken.
We lieten één rugzak achter in het hotel met het verzoek om deze naar het Nirvana Hotel in Pokhara te sturen en namen een taxi naar het 'busstation’ vanwaar de bus naar Besisahar zou vertrekken. Het ‘busstation’ waar we in eerste instantie naar toe reden, was gewoon een straat nabij Thamel, maar er stond geen bus naar Besisahar. We rekenden af en terwijl Ramesh belde met iemand met de vraag waar de bus nu eigenlijk was, werd al onderhandeld met een andere taxichauffeur voor een vervolgritje. Het ‘busstation’ bleek verplaatst.
Al snel zaten we in een andere taxi, met onze rugzak losliggend op het dak van de Alto, op weg naar een andere lokatie. Daar aangekomen bleek de juiste bus er te staan. De juiste bus werd herkend aan het kenteken van de bus, want er was geen andere aanduiding die erop duidde dat het de juiste bus was. Het ‘busstation’ was een vuile en stoffige berm langs een drukke doorgaande weg. Onze ‘VIP’bus zou om 07.30 uur vertrekken, maar die tijd werd (natuurlijk) niet gehaald. Ik kocht een aantal appels bij een stalletje langs de weg, die schijnbaar alleen per kilo konden worden gekocht, want naast het weegschaaltje stonden alleen gewichtjes van een kilo. Bij het afrekenen bleef ik maar kleine coupures neertellen totdat de verkoopster tevreden was met 60 rupees. Geen idee wat de juiste prijs was, maar 60 eurocent voor een aantal appels leek niet erg veel. Ik liep terug langs allemaal minibusjes en andere voertuigen waarvan de APK-keuring al jaren geleden was verlopen.
Onze bus was dus delayed, maar er was geen enkele aanwijzing die aangaf wanneer we wel zouden vertrekken. Inmiddels zijn we wat gewend en weten we dat de bus pas vertrekt indien vol.
Tijdens het wachten aanschouwden we wakker wordend Kathmandu. Enorm veel schoolbussen reden langs over de hoofdweg.
Met 45 minuten vertraging vertrok de halflege bus eindelijk, maar niet voordat eerst een processie voor de bus langstrok over de hoofdweg. Eenmaal op de hoofdweg kroop de bus ook als een slak voort door het drukke verkeer. Het was nu al weer druk en chaotisch op de weg met vele Suzuki Alto’s, schoolbussen en enorm veel vrachtverkeer. Die laatsten hadden indrukwekkende namen, zoals ‘Road King’ of ‘Speed King’.

Al snel na vertrek moest (natuurlijk) worden getankt en terwijl de chauffeur de slang in de bus hing, stond op een meter afstand ervan iemand te roken. Hoezo veiligheid boven alles.
Langs de weg was van alles te zien; marktjes, buddhistische tempels met monnikken in rode gewaden, een kuil in de grond met een brandend vuur erin met daarboven een metalen plaat, waar asfalt op werd gesmolten, een heuze filmstudio (volgens de tekst op het gebouw) en nog veel meer.
Als een rups kropen we Kathmandu uit en kwamen we op de weg naar Pokhara. In eerste instantie was de weg erg bochtig en in embarmelijke staat, maar later werd de weg beter en rechter, wat voor de chauffeur aanleiding gaf om de verloren tijd in te halen. De bus transformeerde van een slak in een heuze jaguar! Op sommige momenten ging het echt te hard en haalde de chauffeur in op plekken die dat eigenlijk niet toelieten. Dat dit ook niet altijd goed ging bleek ook wel uit een tweetal ongelukken die we onderweg tegenkwamen. Bij het eerste ongeluk was een minibusje en een tankauto betrokken. De cabine van de truk met oplegger was ongeveer 120 graden geschaard en tot stilstand gekomen tegen de bergwand. Het tweede ongeval was tussen een minibusje en een grotere bus in een bocht naar rechts en van het minibusje was niet veel meer over. Zo te oordelen had de grotere bus de binnenbocht willen nemen. In beide gevallen is het dubieus of de chauffeur het heeft overleefd.

We hadden een plaspause ergens langs de weg (jammer voor de dames) en toen de chauffeur weer weg wilde rijden, ontbrak er een passagier. Het bleek een Koreaanse man te zijn die langs de weg de inhoud van z’n maag aan het legen was. Om 12.00 uur was er lunchpauze, waar wij overigens geen gebruik van maakten. In plaats daarvan namen we een gezond appeltje.
De bus was maar halfvol, maar na de afslag naar Bulbule ontpopte de bus zich als een lokale bus en werd iedereen die maar mee wilde ook meegenomen. In de kortste keren zat de bus vol. Om de haveklap werd gestopt en dat werkte extra vertragend.
Eenmaal in Besisahar moesten we onze TIMS-permit laten zien en werden we voor het eerst geregistreerd. Het bleek rustig te zijn (einde van het seizoen), want er bleken maar een stuk of dertig namen op de lijst te staan voor die dag. Volgens de jongen die de namen in het grote boek noteerde, was dat ongeveer de helft van een normale (drukke) dag. Na registratie reden we naar het ‘busstation’ van Besisahar, een groot braakliggend terrein. Hier moesten we van bus verwisselen en zouden we verder gaan in een kleine bus die wél bestand zou zijn voor de weg die zou volgen. In de bus was geen beenruimte tussen de stoelen voor een niet-Nepalees en eigenlijk ook niet voor een wél Nepalees. Ik nam plaats op de achterste bank met de benen in het middenpad. De chauffeur begon met een sight seeing door Besisahar, want we reden de hoofdstraat weer op een neer alvorens terug te keren op het busstation om daar nog de nodige minuten te wachten.
De Lonely Planet had geschreven dat de weg van Besisahar naar Bulbulhe met de jeep of een bus nogal onaangenaam zou zijn en het was inderdaad nogal een geschud heen en weer.

Rond 17.00 uur kwamen we aan in Bulbulhe, waar Ramesh ons direct meenam naar het kantoortje van het ACAP, dat zich op 20 meter loopafstand van de bus bevond. We moesten ons nu meteen maar registreren, omdat het kantoortje anders pas de volgende dag vanaf 10.00 uur open zou zijn en hij was van plan eerder te vertrekken. Na het inschrijven checkten we in bij het naastgelegen ‘hotel’ en kregen we een kamertje op de eerste verdieping, dat bestond uit twee houten bedden met flinterdunne matrasjes en wanden tussen de kamers van spaanplaat. De gezamenlijke badvoorzieningen bevonden zich in een huisje in de tuin
In de tuin hadden we de avondmaaltijd aan een plastic tafel met plastic stoeltjes. We zaten samen met een ouder Frans echtpaar, waarvan de man een guitige vent was. Hij sprak redelijk Engels, maar met zo’n typisch Frans accent dat je gewoon blij maakt. Hij en z’n vrouw waren helemaal into de chinese geneeskunst en konden er heerlijk over praten.
We aten een vegetarische curry en een fried noodle en lagen na het eten al snel op bed (21.00 uur)


Woensdag 24 november 2010

Van Ramesh moesten we rond 07.00 uur ontbijten en we hielden ons daaraan. Gisteravond hadden we al opgegeven wat we voor ontbijt wilden hebben. Veel langer dan 7 uur hadden we overigens toch niet kunnen blijven liggen, want de medereizigers waren ook al wakker en de de dunne houten wandjes hielden het geluid niet buiten.
Om 07.50 uur gingen we op weg. We volgden de jeepweg, waar we overigens maar twee keer een jeep op tegenkwamen, alsmede twee keer een trekker met oplegger
In de eerste twee uur liepen we door de landerijen in de schaduw van de bergen. De eerste zonnestralen kwamen pas tegen 10.30 uur over de bergrug en in combinatie met de inspanning werd het toen meteen heet, dus jas uit. We hadden zicht op de wit besneeuwde bergen in de verte, maar nadat we een bocht omgingen en een ander dal in, verdween dit mooie uitzicht en kregen we er ander mooi uitzicht voor terug.
We vervolgden de weg tot in Syange, waar we rond 12.15 uur aankwamen en de lunch grbruikten. Na de lunch was het nog ongeveer 5 kwartier lopen tot aan Jagat. Hoewel de Lonely Planet aangeeft dat de jeep road tot aan Syange loopt, bleek deze in werkelijkheid tot Jagat te gaan. Men is ‘druk’ bezig met de aanleg van de weg, maar het zal nog jaren duren eer deze geasfalteerd is. De weg loopt direct langs de afgrond en de rivier ligt op sommige punten enkele honderden meters lager.

Het landschap werd gedominerd door rijstterrassen vanaf de rivier tot aan de bergkam. Helaas was de rijst geoogst en waren vrijwel alle terrassen bruin of geel. Wat moet het een mooi gezicht zijn als deze berghellingen lichtgroen (jonge rijstplantjes) of donkergroen zijn (volwassen rijstplanten). In andere seizoenen dan het rijstseizoen worden op de terrassen mais, graan etc verbouwd, maar nu was alles kaal.

Onderweg werd her en der gewerkt aan de weg. Verstevigingsmuren werden met de hand opgericht om aardverschuivingen te voorkomen. Handmatig werden grote metalen korfen gevlochten en daarin werden vervolgens enorme (haast niet te tillen) brokken steen in gedumpt. Zwaar werk! Respect!. Een aantal keren passeerden we ezelkaravanen en eenmaal een enorme kudde geiten die werd gehoed door een paar kleine jongens die de kudde in het gareel hielden door stenen naar de hoofden van de geitjes te werpen.

In Jagat nam Ramesh ons mee naar het Garden Restaurant. Het eerste wat we deden toen we op de kamer kwamen was douchen in de gezamenlijke douche, want het water werd door de zon verhit en dan moet je niet te lang wachten, want anders hebben anderen het water opgebruikt. Het water was nog redelijk warm. Ook wasten we enkele hemden uit, die zeiknat waren van het zweet. De rest van de middag deden we weinig. We lazen wat in onze boeken en kletsten wat met andere toeristen
Om 19.00 uur dineerden we en tegen 21.00 uur lagen we op bed.


Donderdag 25 november 2010

Na het ontbijt vertrokken we om 8.15 uur uit Jagat. Het zou vandaag een kort wandeldagje worden. Bij vertrek uit Jagat hadden we een stralend blauwe lucht, maar tegen 12.00 uur trokken de wolken binnen en aan het einde van de middag was de dag grijs en koel (14 graden).

We bleven de rivier volgen. Het pad ging frequent omhoog en weer naar beneden. Redelijk inspannend, maar niet om uitgeput te raken. Langs de hele route stonden electriciteitspalen, maar de electriciteitskabels ontbraken nog. Op een gegeven moment zagen we langs het pad een tweetal manden staan met daaraan bevestigd twee van die palen. Ze worden door een drager naar boven gedragen. Die moet zijwaarts lopen, want in de breedte is onmogelijk. De palen wegen ongeveer 80 kilo per stuk!.

Om 14.15 uur kwamen we aan in Tal. Even voordat we Tal binnenliepen, liepen we langs een militaire post. Even laten liepen we door een enorm brede rivierbedding en zagen we het kleine dorpje Tal in de verte liggen. We liepen onder de Tibetaanse toegangspoort tot de provincie Manang en daarna door de hoofdstraat van Tal, een geplaveid pad met aan weerzijden ervan een aaneenschakeling van guesthousjes. In de ‘hoofdstraat’ waren ook twee kleine winkeltjes gevestigd met allerlei heerlijkheden, zoals marsen, bounty’s en chocoladerepen. We staken de rivier over en vrijwel op het moment dat het dorpje eindigde, checkten we in bij het Paradise Guesthouse. We lunchten in de tuin van het guesthouse, dat vol stond met bloeiende planten. Een paar meter van het guesthouse stroomde de rivier.
De rest van de middag deden we niet veel. We lazen wat in onze boeken, werkten het reisverslag bij en gingen even kort het dorp verkennen. We wilden naar de stupa aan de voet van de metershoge waterval lopen, maar kwamen we al snel achter dat de weg ernaar toe was afgezet met prikkeldraad, dus de stupa en de watreval gingen aan ons voorbij. Dan maar even door de hoofdstraat lopen, maar ook dat was weinig bijzonder.


Vrijdag 26 november 2010

Gisteravond lagen we vroeg op bed (21.00 uur). We hadden gisteravond nog wat gekletst met twee Amerikaanse toeristen, die erg vrolijk waren. We trekken al vanaf de eerste dag met die lui op, maar overdag doen ze het (erg) rustig aan. Ook ontmoetten we een Nederlandse jongen in het guesthouse, waar we ook nog even mee kletsten.

Vanochtend ging het niet zo goed met één van de Amerikaanse jongens. Hij had gister een gerecht met kip gegeten en dat was niet goed bevallen.
We ontbeten om 7.00 uur vertrokken een uurtje later. We liepen de brede vallei uit en volgden de rivier stroomopwaarts. Het pad ging net als gister weer op en neer. We staken de rivier over, waarna het pad serieus begon te stijgen. De vallei werd stukken smaller en de rivier lag ver beneden ons. Het pad slingerde langs de bergwand en soms liepen we onder een waterval door, wat enige verfrissing bood. Natuurlijk werden we niet kletsnat, maar de nevel was verkoelend.

Na zo’n twee uur lopen kwamen we aan in Dharpani, waar we thee dronken op een daktrerrasje van een guesthousje. De eerste zonnestralen van die dag kwamen net over de bergrug. Aan de overkant van de rivier stond een gebouwtje met daarin een mini-electriciteitscentrale. Met behulp van water dat werd opgevangen uit een watervalletje werd stroom opgewekt, waarmee in de electriciteitsbehoefte van het dorp werd voorzien.
De eigenaar van het terrasje liep met een klein kindje in een draagzak op de rug en vond het geen probleem dat we hem forografeerden. Daarna regelde hij voor ons een thermoskan met thee. Inmiddels zijn we erachter gekomen dat een ‘grote’ pot thee door ieder guesthousje anders wordt geinterpreteerd. Soms is een grote pot thee een echte pot en voldoende voor vier kopjes, maar nu kregen we een thermoskan van een liter en konden we er zeker 8 kopjes uithalen. Maar telkens is de prijs ongeveer hetzelfde.

Een klein meisje met een enorme snotneus kwam ook even kijken. Marjolijn had bellenblaaskokertjes meegenomen en ging bellenblazen voor het kindje, dat gefacineerd naar de bellen met de regenboogkleurtjes keek en het maar niet scheen te begrijpen waarom de bellen ineens uit elkaar spatten.

Na Dharapani werd de wandeltocht wat aangenamer. De stijging van 460 meter tot aan Danique ging zeer geleidelijk over een grotendeels breed pad (‘Nepali flat’, dus glooiend). We liepen grotendeels door naald- en loofbos (er stonden bomen, laten we het daar maar op houden, geen eindeloze bossen) en door kleine dorpjes met geplaveide hoofdstraatjes en een aaneenschakeling van guesthousjes.

Klik op foto voor vergroting Wandeling door naaldbossen

In Danique lieten we ons registreren in het grote boek van de Acap en lunchten we in het Tibetan Guesthouse. De menukaart begonnen we al redelijk uit ons hoofd te kennen, want die is in ieder guesthouse hetzelfde en ook de prijzen zijn in ieder dorp hetzelfde. Tussen dorpjes onderling zit een klein prijsverschil. Hoe meer je naar de pas gaat, hoe hoger de prijzen worden. Dit is een idee geweest van het ACAP. Zij hebben bepaald dat de prijzen en het aanbod overal hetzelfde zijn. Het verschil tussen guesthousjes wordt dus alleen nog maar bepaald door de kwaliteit van de huisvesting en hetgeen je geprestenteerd krijgt op je bord.
We namen beiden een vegetarische spagetti en bestelden één porti vegetarische pagoda’s (in India heten ze pakhora’s). De lunch was uiterst smakelijk en kwam precies op tijd, want de reserves waren na de porridge met appel (pap) en een bananenpannenkoek van hedenochtend uitgeput. Na de lunch lieten we aan de overkant van het restaurant een waterfles vullen met gezuiverd water bij het tappunt van het ACAP (40 rupees) en vervolgden we voorts onze weg. We liepen het dorp uit, langs een stupa en een kleine ‘mani’ (Tibetaanse muur met allemaal gebedsstenen (leisteen met geschriften erop) en liepen het bos in. Al snel begonnen we aan een inspannende klim naar boven. Tijdens een van de vele korte rustpauzes zagen we aan de andere kant van de rivier apen van boom tot boom springen. We stegen verder over traptreden en toen we vrijwel boven waren liepen we door een heus loofbos over een breed bospad. Helaas waren we nog niet helemaal boven en na nog een klein klimmetje kwamen we aan in een klein dorpje. Bij de dorpspomp werd de vaat gewassen door een klein meisje in schooluniform en even verderop zaten enkele kleine meisjes rondom een vuurtje waarboven drie potten stonden. De ene pot werd blijkbaar verwarmd door het kokende water van de onderliggende pot.

We liepen het dorpje door en verder over een bospad om vervolgens steil te dalen om een hangbrug over een rivier over te steken. We waren nu redelijk uitgeput, maar stonden voor een onaangename verrassing, namelijk een enorme klim naar boven naar weer een volgend dorpje Thamchok, waar we doorheen liepen tot we bij het allerlaatste guesthousje aankwamen. Doordat de twee Amerikaanse jongens zo langzaam liepen, maar hun drager wél met onze drager opliep, konden we niet verder lopen naar het eerstvolgende dorpje Chame.

We wasten ons onder een kraan in een niet verlichte ruimte die ze ‘douche’ hadden genoemd. Het gebouwtje bestond uit gestapelde stenen met enorme kieren, waardoor je de wandelaars op het pad gewoon kon zien. De kraan (geen douchekop) stak op ongeveer 1,5 meter hoogte uit de muur en het water wat eruit kwam was niet wat men op het raam van het guesthouse beloofde, namelijk solar heated. Het was net van het koude af en erg lang douchten we dan ook niet. De vrije vertaling van wat met in Nepal ‘Hot’ noemt, is in onze ogen ‘niet bevroren’. Zelfs kamperen is nog luxer.

Op een gegeven moment waren de beide dragers weg. Ze liepen terug om de nog steeds niet gearriveerde Amerikanen tegemoet te lopen. Pas nadat de duisternis was ingevallen, keerden ze terug met de Amerikanen.


Zaterdag 27 november 2010

Het ontbijt was om 07.15 uur. We hadden warme pap met appel en een appelpannenkoek. Die laatste was niet zoals in Nederland; lekker dun, maar het was een behoorlijk dikke meelbal. Na het ontbijt rekenden we af voor de overnachting en de genoten maaltijden en rond 8.15 uur vertrokken we.

Klik op foto voor vergroting Houtzagerij in het bos

Omdat het guesthouse aan de rand van het dorp lag, waren we al snel het kleine dorp uit en liepen direct over een breed bospad. Al vrij snel passeerden we een houtzagerij, die behoorlijk primitief, maar uiterst effectief was. Er was een groot gat in de grond gemaakt en dwars op het gat lag een dikke boomstam. Eén persoon stond in het gat en de ander stond op de boomstam. Samen dreven ze een enorm lange houtzaag aan. De planken die uit de boomstam werden gezaagd waren kaarsrecht en even dik. Bijzonder om te zien dat ook zonder de modernste techniek perfecte planken uit een stam werden gezaagd. De houtzagers hadden geen moeite om zich te laten fotograferen. We waren waarschijnlijk niet de eersten die ze vastlegden.
Slechts een klein stukje verder lopen kwamen we langs een groepje kinderen die op zeer eenvoudige sleetjes van een heuveltje afroetsten. Niet op sneeuw, maar gewoon op de modder. De twee Amerikanen liepen vlak achter ons en één van hen was zo enthousiast, dat hij het ook een keer probeerde. Tot grote hilariteit van de kinderen. Het liep wel uit op een kleine botsing onder aan de heuvel tussen drie sleetjerijders.
Inmiddels hadden wij de bellenblaasspullen uit de tas gehaald en begonnen bellen te blazen en als een stel wilde stieren renden ze op ons af om allemaal om het hardst de bellen te vangen en te vernietigen. Het was een leuke boel.

Klik op foto voor vergroting
Bellenblazen met de plaatselijke jeugd

Het volgende dorp was Koto, waar we ons moesten laten registreren. Vlak bij het ACAP-bureautje was een Tibetaans kloostertje, maar de deuren waren gesloten. Het landschap was fantastisch. De wit besneeuwde toppen van de Annapurna’s lieten zich weer zien..
We liepen verder naar Chame. Met de kennis van nu hadden we gisteravond best verder kunnen lopen naar Chame, want dat was nog maar een half uurtje verder dan het dorpje waar we die nacht hadden overnacht. Chame was een veel groter dorp en was veel meer gericht op het toerisme. Er was zelfs een aantal pooltafels in het dorp aanwezig, alsmede een aantal winkels met op toeristen geente producten. Als je denkt dat er op dit traject van het Annapurnacircuit niets te krijgen hebt, dan heb je het mis. Naast snickers en marsen zijn ook schampoo, deodorant etc gewoon te koop.
Een uur voordat we in Pisang aan zouden komen, lunchten we. Op dat moment zaten we in de volle zon op een terrasje en was het nog zeer aangenaam van temperatuur. Het zicht op de besneeuwde bergen was fantastisch.
Na Chame staken we de rivier over en liepen we door een poort, die was gebouwd in de vorm van een stupa. De wanden van de poort waren prachtig beschilderd met Tibetaanse tekeningen en natuurlijk ontbraken de gebedsrollen niet in de poort. De route tot aan Pisang ging door het bos. Dit keer stonden er echt veel bomen op de route en rook het er heerlijk naar dennengeur, tenminste zolang je niet langs een verse hoop paardenpoep liep. Het grootste deel van de route was Nepalees vlak, glooiend dus, maar er zaten ook enkele wat stevigere stijgingen en dalingen in, die wat inspannender waren. Een daarvan was net nadat we weer een keer de rivier over waren gestoken. Het waaide er enorm.
De klimmetjes (ongeveer 15 tot 20 minuten) worden steeds inspannender naarmate we hoger komen. Inmiddels zijn we de 3.000 meter hoogte gepasseerd en dat is te merken bij het stijgen. We keken uit op een enorme kale rotswand, waarvan het net leek of die was gescheurd. In feite was het ene deel van de rotswand een paar meter hoger dan het andere deel en de schaduw die dat veroorzaakte deed het voorkomen of de berg was gescheurd.

Klik op foto voor vergroting Toegangspoort Chame

Na de lunch liepen we in de schaduw over een bospad en was het met 9 graden op de thermometer behoorlijk koel en trokken we de jassen maar weer aan. Er stond veel wind, dat letterlijk stof deed opwaaien. We liepen nog steeds door het bos, afgewisseld door een stuk brede vallei, totdat we aankwamen in Pisang. Waarom dit dorp Pisang heet is een raadsel, aangezien er geen banaan te bekennen was.

We checkten in bij het Maya guesthouse en kregen een kamer op de hoek van het gebouwtje. De wind gierde om het gebouw. We namen snel een douche. Hoewel er stoom van het water afkwam, was het water niet meer dan lauw. De stoom had meer met de omgevingstemperatuur van doen, dan met de temperatuur van het water. Maar de douche was in ieder geval aangenamer dan die van gisteren.

Na de douche namen we snel plaats bij de houtkachel in het restaurantje, waar het iets aangenamer van temperatuur was.


Zondag 28 november 2010

We ontbeten weer met pap en een appelpannenkoek. Het ontbijt begint ons een beetje tegen te staan. Weer vertrokken we om 08.15 uur. We liepen door het dorp, langs een enorm lange ‘mani’ en nadat we alle gebedmolentjes gepasseerd waren, kwamen we bij het waterpunt van het ACAP. Het was even zoeken naar iemand die ons kon helpen, want het huisje waar de tapinstallatie staat, was nog afgesloten.

Klik op foto voor vergroting
Primitieve wegbewijzering

Klik op foto voor vergroting
Mani in het plaatsje Pisang

Klik op foto voor vergroting
Idylisch meertje

We staken de rivier over, want we hadden besloten om de lange wandeling naar Manang te nemen. Er zijn twee mogelijkheden naar Manang, namelijk de ‘eenvoudige’ en korte manier. Die gaat benedenlangs en kent niet echt grote stijgingen en dalingen. Of de ‘moeilijkere’ en langere manier en dat betekende dat we de rivier over moesten. We liepen eerst weer door een stukje bos en passeerden een prachtig groen meertje dat kraakhelder water bevatte en ondiep was. Het lag idyllisch temidden van het bos en de bergwand op de achtergrond.
Een stukje verderop liepen we langs een oude ‘mani’ en direct daarna staken we weer een brug over, die gespannen was over een klein stroompje. Als je daar met twee of meer persone tegelijkertijd overheen loopt, schommelt de brug zodanig dat het moeilijk –zo niet onmogelijk- is om er in een rechte lijn overheen te lopen. Gelukkig zijn de hangbruggen allemaal van staal en uiterst solide, dus er is geen reden tot angst.

Direct na de brug begon de vuurdoop. Er stond ons een klim van ongeveer een uur te wachten naar het dorpje Ghyaru. Rustig aan en met de nodige adempauzes begonnen we aan de klim en inderdaad een uurtje later en 470 meter hoger dan van weer we waren gestart, kwamen we aan in Ghyaru. We werden begroet door een schitterend witte stupa, die in de tuin van een schooltje stond.

In het dorpje namen we plaats op een terrasje en bestelden een grote pot thee, want de vochthuishouding moest echt wel weer even worden hersteld. In het cafetje kwamen we het Franse echtpaar tegen dat we eerder al hadden ontmoet. Het was weer schitterend om met de enthousiaste Fransman te kletsen en te genieten van z’n Gerard Depardieu-Engels. Heerlijk!
Tijdens de theepauze genoten we van het uitzicht en we hadden nu al geen spijt dat we voor de intensievere route hadden gekozen, want het uitzicht was tien keer beter dan dat je zou hebben als je de eenvoudigere route door het dal zou lopen. We hadden een uitzicht van meer dan 180 graden en keken recht op de Annapurna’s, waar de sneeuw vanwege de harde wind in vlagen vanaf werd geblazen.

We liepen na de theepauze door het dorpje en verlieten het aan de andere kant. Het pad was Nepalees vlak tot aan Ngawal en liep langs de helling op een enorme hoogte (470 meter) boven de rivier. Na Ngawal daalde het pad tot aan het dorpje Mungji. Nog altijd liepen we door naaldbossen en we kwamen zo goed als niemand tegen. Het laatste stukje vanaf Mingji via Braga naar Manang was weer vlak.

In Manang checkten we in bij het Tiliche guesthouse. De kamers waren rond een binnenplaats gebouwd en voor het eerst hadden we een kamer met een eigen (frans) toilet en die zou hard nodig blijken.

We aten in het restaurant. Weer fried noodles met ei en een vegetarische curry met rijst. Daarnaast bestelden we paghoda’s. Omdat we redelijk laat hadden geluncht, lieten we de helft van het avondeten staan. De volgende keer toch minder bestellen!
Ne het eten gingen we al snel terug naar de kamer om in de slaapzakken te kruipen en nog even te lezen.


Maandag 29 november 2010

Vandaag was een geplande rustdag. We moesten een rustdag inbouwen om te acclimatiseren op deze hoogte. Als we dat niet zouden doen, dan zou dat ons kunnen opbreken in de dagen die zouden volgen. De rustdag was ook hard nodig, want het was een onrustig nachtje geweest. De darmpjes van Marjolijn waren op gaan spelen en ze had het toilet meerdere keren verblijd met een kort bezoekje.

De dag begon met een lichte hoofdpijn, evenals gisterochtend, maar die verdween al snel na een paar kopjes thee. Puur vochtgebrek als gevolg van de droge lucht. ’s Nachts worden we wakker met een droge mond en dan drinken we wat, maar ook weer niet teveel, want anders moeten we er uit om te plassen en dat is in de niet verwarmde kamers niet echt aangenaam. De kamertemperatuur was deze nacht 5 graden boven nul. Buiten vriest het, want de kraan in de douche was bevroren. De kraan op de waterplaats buiten deed het wel en dus konden we onze gezichten daar even wassen. Dat was niet zonder risico, want het bassin om de kraan heen was stijf bevroren en spiegelglad. Ondanks dat besloten we om toch maar wat kleren uit te wassen, zodat die konden drogen in de zon, wat direct resulteerde in verdamping van het water in het natte goed.

We ontbeten met een chocoladebroodje (zag er beter uit dan het smaakte) en rond 10.00 uur vertrok Remco samen met Ramesh voor een korte wandeltocht van ongeveer twee uur naar een uitzichtpunt boven Manang. We passeerden een mooi, turquoise gletsjermeer en Ramesh wees me op een uitvaart die in de verte werd gehouden. Een grote stoet mensen was op de been om de overledene de laatste eer te bewijzen

Klik op foto voor vergroting

Uitzicht over het dal

Klik op foto voor vergroting Boeren

Klik op foto voor vergroting Gebedsvlaggen met de Annapurna

We klommen verder omhoog tot aan een theehuisje dat gesloten bleek. Het laatste stuk van de klim was het oppassen geblazen, want de ondergrond was bevroren en dus spekglad. Het uitzicht vanaf het theehuis was schitterend. We hadden zicht op de Annapurna peak, de Tilicho peak en we konden in de verte het pad zien dat we de volgende dag zouden volgen. Nog drie dagen voor de pas! Tenminste… als alles goed gaat.

Eenmaal terug in het guesthouse bleek het al weer wat beter te gaan met Marjolijn. Ze was bezig met haar eigen wasgoed te wassen, maar dook na deze excercitie weer terug in d’r slaapzak. Ik las wat in het restaurantje, waar ik me verschanste (net als de anderen) in het zonnetje achter het glas. Zeer aangenaam. Iedereen zat wat te lezen of met elkaar te praten.
Toen het zonnetje echter achter de bergrug verdween (rond 14.30 uur), werd het direct minder aangenaam en daalde de gevoelstemperatuur direct. Snel dan maar een jas aan. Ik bestelde twee enchilada’s met kaas (!) en die vulden zo goed dat ik het avondeten kon overslaan. De enchillada’s waren daarnaast ook nog eens erg lekker.

Na de lunch liep ik nog even door het dorp, maar dat is zo klein en er is zo weinig te doen, dat ik weer snel terug was in het guesthouse. Het enige interessante was een kleine tentoonstelling in het ACAP-bureau, waar wat meer werd uitgelegd van het bestaan van het ACAP.

Terug in het guesthouse was inmiddels de kachel aangedaan en was het aangenaam. In zocht een plekje op ver van de toegangsdeur, die –ondanks dat een houvuur werd gestookt- continue open bleef staan. Ik werkte m’n dagboek bij en toen Ramesh eenmaal bij me kwam zitten, kletste ik een tijd met hem.
Om 19.00 uur trok ik me ook (Marjolijn lag er nog steeds in) terug in m’n slaapzak om nog een aantal pagina’s te lezen. Tegen 20.30 uur ging het licht uit.


Dinsdag 30 november 2010

We ‘sliepen uit’ tot 07.30 uur en kwamen er toen achter dat er geen water meer kwam uit het kraantje in het toilet om even de gezichten mee te wassen. Waarschijnlijk was de leiding bevroren of gewoon het water op. Buiten deed de kraan het nog wel (waarschijnlijk was de leiding in de kamer dan toch niet bevroren) en konden we toch onze gezichten even wassen. Welliswaar met gevaar voor eigen leven, want het gebied rondom de kraan was stijf bevroren en spekglad.

Klik op foto voor vergroting Sneeuw waait van de Annapurna

Klik op foto voor vergroting Gletsjermeertje

Klik op foto voor vergroting Route naar Manang

Marjolijn was verzwakt, maar lijkt toch weer opgeknapt. We ontbeten in het restaurant met pap en french toast. Die blijkt te bestaan uit geroosterd brood met ei en daar hadden we beiden geen trek in. We lieten de french toast voor wat het was.
We pakten de rugzak in en rekenden af. We betaalden met euro’s, aangezien de roepies op begonnen te raken en we niet wisten of we hogerop de berg nog met euro’s konden betalen. De koers was zoals verwacht niet de beste. We rekenden af tegen een koers van € 0,85 per 100 rupees in plaats van € 0,97 per 100 rupees en daarna gingen we op weg voor een korte en rustige wandeldag.

We verlieten Manang en klommen in het eerste uur 400 meter van de in totaal 500 meter van die dag. Na de eerste klim dronken we thee op een terrasje in het zonnetje in Gunsang. Inmiddels kenden we de meeste wandelaars wel van gezicht. Er is een grote groep Israeliers, veel Amerikanen, twee Spaanse, enkele Fransen en natuurlijk Nederlanders. Toen we aan een tafeltje zaten, vroeg een Roemeense jongen of hij bij ons mocht zitten. Het was een jongen die met een Pools meisje samen wandelde en hij zat ongelofelijk op de centen. Eerder waren we ze al tegengekomen op een lunchplekje en had hij redelijk onbeleefd de eigenaresse van een restaurantje gevraagd naar de lunchkaart. Hij had zijn Poolse vriendin voorgesteld om een ‘Dahl bat’ (traditioneel Nepalees gerecht) te delen, omdat het bij het restaurantje ‘zo duur’ was. Hij had een punt… hetzelfde gerecht was in Manang € 0,30 goedkoper! Waar hebben we het over!. Nu zat deze onbeleefde jongen naast ons aan tafel en moesten we ‘socializen’.
Een Nederlandse vader en z’n zoon waren beter gezelschap om me te praten.

Klik op foto voor vergroting Yak

Na de theepauze liepen we verder. Het was nog zo’n 1,5 uur lopen naar Yak Kharka, waar we zouden overnachten. Het landschap was leeg; er stonden geen bomen meer. De enige vegetatie bestond uit stekestruiken van zo’n 30 centimeter hoog, alsmede jeneverbesstruikjes. Maar het zicht op de kale bergen was fantastisch! En voor het eerst zagen we wild. Kudden blauwe schapen zagen we op een meter of 100 rondlopen. De mannetjes waren duidelijk te herkennen aan de gedraaide hoorns op hun koppen. Boven ons zweefden roofvogels op de thermiek. Even verderop liepen we langs een kudde yaks, die totaal geen angst voor ons hadden en zich zonder problemen lieten fotograferen.
Het dal werd steeds smaller en zo ook het riviertje; we naderen de oorsprong ervan. We liepen verder en kwamen aan in Yak Kharka. We checkten in in één van de weinige hostalletjes en kregen een vrijstaande cabine – een soort strandhuisje- tot onze beschikking.
Gelukkig lag er een deken op het bed, want het zou wel eens koud kunnen worden ‘s nachts. We lunchten op het terrasje in de zon, maar al snel (rond 14.30 uur) verdween de zon achter de bergen en werd het onaangenaam buiten. We vluchten naar binnen, waar het overigens niet veel warmer was. Pas tegen 16.00 uur werd de kachel aangestoken en namen we allemaal plaats rondom de kachel. In een straat van 2 meter om de kachel was het minder koud. De kachel werd verwarmd met gedroogde yakpoep, die in grote witte zakken werd aangevoerd.


Woensdag 1 december 2010

Vannacht was het mijn beurt. Nu was ik geveld door voedselvergiftiging en dat betekende een aantal keren aankleden en door de koude nacht (in de kamer was het 2 graden boven nul) naar het donkere toilet even verderop lopen om uiterst geconcentreerd in het gat in de grond de darmen te legen. Met wisselend succes.

’s Ochtends konden we de gezichten niet wassen, want alle water was stijf bevroren. We ontbeten in het restaurantje, maar de eerste hap van de pap viel Remco niet goed en hij moest haast maken naar buiten om daar over te geven. Na het overgeven lukte het – wonderbaarlijk- wel om de rest van het ontbijt op te eten en binnen te houden.
Het was vandaag een kort wandeldagje naar Thorong Phedi. Een uurtje of vier à vijf lopen met een stijging van in totaal 500 meter, van zo’n 3.900 meter naar zo’n 4.400 meter. Meer dan 500 meter stijgen per dag wordt afgeraden in verband met de kans op hoogteziekte. Toch was de wandeltocht inspannender dan eerdere dagen, vanwege de ijle lucht.
In Thorong Phedi is nog maar één guesthouse. Het andere guesthouse ligt nog een uur en een aantal honderd meter extra klimmen. Het werd afgeraden om naar het Throng Phedi base camp te lopen en dus overnachtten we in het lager gelegen guesthouse. We lunchten achter het raam in het zonnetje in het guesthouse met een pizza en daarna resteerde niets anders dan lezen. Ook trokken we ons ’s middags nog even terug in de slaapzakken om nog wat te rusten.


Donderdag 2 december 2010
Om 4.15 uur ging de wekker. We kleedden ons aan, pakten de rugzak in en ontbeten in het restaurant. We waren niet de eersten. Sterker nog.. het restaurant zat al afgeladen vol. En het was er koud, want het werd niet verwarmd. We ontbeten met een punt appeltaart en thee. Niet echt een stevige maaltijd voor de dag die zou komen

Vandaag was d-day! We zouden de hoogste (wandel)pas ter wereld over trekken. We vertrokken om 05.00 uur en dat idee hadden meerdere wandelaars. In één lange lint van mensen met witte lampjes op hun hoofd kropen we als slakken naar boven. We zaten achter een groep Duitsers en die liepen écht heel langzaam. Misschien ook wel beter voor ons. Maar niet voor een aantal gids/dragers die ons in ferme pas inhaalden. Naast een lange lint van witte lampjes zagen we alleen de duizenden sterren aan de hemel boven ons. Het was nog pikdonker en het gebrek aan vals licht maakte dat we duizenden sterren zagen. De maan stond in het laatste kwartier en gaf onvoldoende licht om het pad te verlichten.

We klommen en klommen en na een uurtje waren we bij het high base camp, waar het laatste guesthouse voor de pas was. Inmiddels was het licht geworden, maar de zonsopgang was niet spectaculair, waarschijnlijk ook omdat we het te druk hadden met klimmen.

Klik op foto voor vergroting

's ochtends net na zonsopgang

Klik op foto voor vergroting

's ochtends rond 9.00 uur

Klik op foto voor vergroting

Bibberend op de top om 10.00 uur

Het pad meanderde naar boven. Gelukkig was de pas niet besneeud. Zelfs zonder sneeuw was het een behoorlijke opgave. Rond tien uur kwamen we aan op het hoogste punt van de pas op 4.416 meter boven zeeniveau. Gekscherend zeiden we tegen Ramesh dat het voor ons nog hoger was dan 5.415 meter, omdat we in Nederland zo’n 5 meter onder zeeniveau wonen. Het was bitter koud op de top; de thermometer die we bij ons hadden gaf min 15 graden aan, maar als gevolg van de enorm sterke wind lag de gevoelstemperatuur ver onder dat niveau. Handen en voeten voelden ijskoud aan. Hoewel we ons goed hadden voorbereid met thermisch ondergoed, een fleecetrui en een winddichte jas, voelde het toch koud aan op de huid.

We probeerden de handen te warmen aan een kop hete thee die we in een restaurantje dronken. Helaas was die opwarming maar van tijdelijke aard, want nadat de thee op was moesten we weer de kou in.
We maakten snel een aantal foto’s bij het bord dat ons feliciteerde met het bereiken van het hoogste punt en aangaf ons graag binnenkort weer terug te zien. Nou, daar denken we nog even over.

Na het passeren van de top was de wind vrijwel direct minder. Na zo’n 1.000 meter klimmen in 5 uur stond ons nu 1.800 meter dalen te wachten totaan het dorpje Ranipauwa (Muktinath) dat ook nog eens 5 uur wandelen zou zijn (inclusief de lunchhpauze). Het afdalen was minder inspannend, maar wel funester voor de knieen.

Even voordat we het dorpje Ranipauwa binnenliepen bezochten we het tempelcomplex Muktinath. Er was weinig veranderd ten opzichte van zeven jaar geleden en omdat alles nog helder op het netvlies stond, maakte de tempel nu weinig indruk. We liepen daarom maar snel verder naar Ranipauwa, waar we ons registreerden bij het ACAP bureau. Eigenlijk wilden we verder rijden naar Jompson of Marpha met de jeep, maar de laatste jeep bleek om 15.00 uur te zijn vertrokken en dat was precies het moment dat we ons inschreven bij het ACAp bureau. Daarom liepen we verder en checkten we in bij het Royal Mustang Guesthouse. Hier hadden we zeven jaar geleden ook in overnacht. We namen een douche (met electrische boiler!). Na twee dagen ons helemaal niet meer te hebben gewassen, was dit een aangename verrassing.
We lazen wat in onze boeken en genoten van de laatste zonnestralen, alvorens die werden geblokkeerd door de bergen.

’s avonds werd de verwarming aangezet. Die bestond uit een airconditioner en deze wist de temperatuur tot 9,6 graden op te laten lopen in het restaurant. We namen allebei een pizza, die bijna helemaal opgingen. Het is best apart dat je zo’n inspanning levert op een dag en zo weinig eet.
Rond 19.30 uur trokken we ons terug in de heerlijke slaapzakken. Op de kamer was het 2 graden.


Vrijdag 3 december 2010

Ramesh had gisteravond aangegeven dat we ons om 8.15 uur moesten melden bij de jeepstand voor onze rit naar Jompson. Voor die tijd ontbeten we in het guesthouse, Dit keer namen we muesli met appel en hete melk. Weer eens iets anders. We hadden die nacht geslapen als een blok in onze slaapzakken met daarheen toch nog maar een deken gedrappeerd.

Na het ontbijt rekenden we af en liepen we naar de jeepstand, die op zo’n 200 meter van het guesthouse lag. Het ging niet allemaal soepeltjes. We hadden behoorlijke last van stijve spieren, met name in de bovenbenen. Bij de jeepstand kwamen we achter twee dingen, namelijk dat het kantoortje waar de tickets werden verkocht pas om 9.00 uur open zou gaan en dat de jeeps ‘bevroren’ waren. En dus namen we plaats in een cafétje dat naast de jeepstand lag. Het wachten was dus op ontdooide jeeps. Er werd al wel hard gewerkt aan het ontdooien van de jeeps, want er werd heet water over bepaalde delen van de motor gegooid. Maar het echte ontdooien begon pas toen de eerste zonnestralen over de bergrug de jeeps verwarmden. Een groot aantal mannen probeerden de jeeps aan de gang te krijgen, wat resulteerde in enorme blauwe rookwolken die ontstonden nadat de motoren waren gestart. Hoeveel anders was het zeven jaar geleden, toen er nog geen jeeps reden… er nog geen stankoverlast was… geen geluidsoverlast van jeepmotoren en getoeter. Wellicht is een betere bereikbaarheid een vooruitgang voor de lokale bevolking, maar het doet het toerisme weinig goed.

Een jeep kwam vanuit de richting van Jompson. Toen de aangekomen passagiers waren uitgestapt, werd de jeep voor een andere jeep gereden en gebruikt om de achterste jeep aan te trekken.

De tweede jeep die vertrok was voor ons. We namen plaats op de achetrbank achter de bestuurder, maar al snel bleek dat er vier mensen op de achterbank plaats moesten nemen en zo werden we ‘gesandwicht’ tussen een Tibetaanse vrouw met een klein hondje in een kartonnen doos op haar schoot een een gesnorde Indiase pelgrim van middelbare leeftijd, die alsmaar vriendelijk lachtte, maar klem zat tussen de deur en mij.

De weg naar Jompson was bochtig en hobbelig. De jeeps hadden er reeds voor gezorgd dat de onverharde weg enorm was geerodeerd. Hoewel we midden in de Himalaya zitten, is ons al opgevallen dat het helemaal geen stevige bergen zijn. De bovenlaag is zelfs vrij zacht, zodat al snel erosie ontstaat. In een bocht in de weg waar een riviertje de weg kruiste kwamen we vast te zitten. De weg na het ondiepe riviertje was bevroren en zelf een vierwiel aangedreven jeep had de grootste moeite. De chauffeur bleef maar gas geven, wat er alleen maar toe leidde dat en een diepere geul ontstond en een enorme blauwe rook om de jeep. Pas na veel wikken lukte het om voldoende snelheid te maken en het ij op de weg te trotseren.

Even na Kagbeni daalden we af totdat we in de enorme brede rivierbedding van de Khali Kandaki kwamen. Hier was een ‘pad’ gemaakt waar de jeep overheen bumpte. Maar de chauffeur lette niet goed op, raakte van de weg en botste tegen een enorme kei. Dit resulteerde erin dat het ene voorwiel op één uur stond en het andere voorwiel op 11 uur. Het was duidelijk dat we met die jeep niet verder zouden komen. En omdat we hadden gezien hoeveel mensen er nog stonden te wachten voor de jeeps in Ranapauwi, wisten we dat in de komende jeeps weinig zitplaatsen vrij zouden zijn. We wisten waar we waren en dat om de volgende bocht in de rivier het plaatsje Jompson zou liggen. We besloten dan ook om maar verder te lopen, een drie kwartiertjes tot een uurtje tot aan Jompson. Gelukkig kwam de wind nog niet opzetten.

In Jompson zou een geldautomaat staan. Dat hadden we gelezen in de Lonely Planet en was bevestigd door Ramesh. We waren dan ook zielsblij toen we dit mooie apparaat zagen staan. Maar…. Onze passen werden niet geaccepteerd. Toch maar even binnen vragen bij de bank en daar werd ons bevestigd dat passen met het Maestro-label niet werkten. Alleen Visa. En laten we die nou niet hebben. Al jaren houden we ons voor om de resterende travellers cheques nu eens in te wisselen, maar altijd heeft het gemak van geldautomaten het gewonnen van het ongemak van het wisselen van travellers cheques, met als gevolg dat we die nu nog steeds bij ons droegen. En nu waren we zielsblij dát we ze nog hadden. Snel wisselden we € 150,-. We verwachtten hier een eind mee te komen, want we leefden op een budget van € 25,- per dag.

Nadat we geld hadden gewisseld liepen we naar de plek in de hoofdstraat waar de bus in de richting van Tatopani zou vertrekken. Toen we kaartjes hadden gekocht (een schrikbarende € 6,- per persoon en we moesten ook voor Ramesh betalen) wachtten we op het vertrek van de bus. Dat zou over vijf minuten kunnen zijn, maar het zou ook zo maar twee uur kunnen duren. We moesten namelijk wachten totdat de bus vol zou zijn. Tijdens het wachten ‘lunchtten’ we met een cola en een stukje gebak in een restaurantje tegenover de ‘bushalte’. Er was geen bushalte; alleen een bureautje in een kleine ruimte waar de buskaartjes werden verkocht.

Het zat me niet lekker dat we nu al weer € 18,- hadden uitgegeven voor een busrit van 2 uur en daarna zou nog een busrit volgen van één uur en ik besloot om nog maar eens terug te lopen naar de bank met het idee om € 50,- aan contanten te wisselen. Op weg naar de bank liep ik langs twee geiten die aan een paal gebonden stonden. Ik wisselde € 50,- bij de bank en op de terugweg telde in nog maar één geit die aan de paal was gebonden. De andere geit lag op z’n rug op de grond leeg te bloeden. Nog geen kwartier later was de geslachte geit volledig gestript.

We wachtten twee en een half uur voordat de bus vertrok. We waren de enige toeristen. Ramesh stond vooraan toen de deur van de bus openging en zat als eerste op het bankje net achter de deur, waar de meeste beenruimte was. Niet voor zichzelf, maar voor ons. Supergebaar! Zelf wurmde Ramesh zichzelf op één van de bankjes achterin de bus en zat daar content.
De rit naar Ghasa duurde twee uur. We reden langs Marpha en door het dorpje Tukuche, waar we zeven jaar geleden nog heerlijk hadden gegeten bij de Dutch Backery. De bakkerij was niet te missen met de grote Douwe Egberts sticker op het raam. Helaas konden we nu niet genieten van z’n produkten, want de bus reed door.
We kwamen aan in het godvergeten dorpje Ghasa. We hadden twee keuzen: hier overnachten of doorrijden naar Tatopani. Het was al een uur of vier en het zou snel donker worden. Toen we de bus uitstapten, bleek echter de bus naar Tatopani klaar voor vertrek. Hij had schijnbaar op onze komst gewacht en gehoop dat hij nog een aantal overstappers kon meenemen. En zo besloten we om door te rijden naar Tatopani.

Een jochie stapte achter het stuur. Hij zag er zo jong uit (misschien 14 jaar oud??) dat ik me ongemakkelijk begon te voelen. Te veel adrenaline en testosteron voor deze wegen. En al snel bleken andere toeristen in de bus de rijstijl van de chauffeur niet te waarderen en begonnen te mopperen tegen de chauffeur. Hoewel het onmogelijk is om te scheuren over de onverharde wegen, voeldde het al als scheuren aan als de bus 30 kilometer per uur reed. Soms lag de weg tientallen meters boven de rivier en was de berm……. afwezig! De chaufeur had daarnaast ook nog eens de onhebbelijke gewoonte om met één hand de cd-speler te bedienen die boven de bestuurderstoel was bevestigd. En dat niet één keer, maar continue. Het kwam er dus eigenlijk op neer dat een als 14 jaar uitziende jongen een bus bestuurde met één hand over een onverharde weg van één auto breed met aan de ene kant van de weg een muur van rotsen en aan de andere kant van de weg (onder ons) de Kali Khandaki.

We kwamen na nog eens 2 ½ uur in het donker aan in Tatopani, waar we incheckten in het Himalaya View Hotel. De eerste kamer die we kregen rook erg muf en we vroegen om een andere kamer en of het warme water aangezet kon worden. We waren zoveel gedaald, dat het niet meer zo koud was (15 graden ’s avonds in de kamer) en het douchewater was heerlijk heet. Hoewel ons was verzocht kort te douchen, hielden we ons daar niet aan. Voor het eerst in tijden weer een echte goede douche.

We aten twee fantastische pizza’s in het restaurant en trakteerden ons voor het eerst weer eens op een biertje… en daarna nog één. Na het eten trokken we ons terug in de slaapzakken en lazen we nog wat.


Zaterdag 4 december 2010

Het idee was om vanochtend naar de hot springs in Tatopani te gaan. Omdat het wel even zou duren voordat de eerste zonnestralen in het smalle dal zouden schijnen, hadden we voorgenomen om vandaag wat later dan normaal te ontbijten. In het restaurant namen we een ‘trekkers ontbijt’, dat bestond uit toast, scrammbled eggs, muesli met warme melk én koffie die ook nog eens goed te drinken was.

Na het ontbijt liepen we door de hoofdstraat van Tatopani (waar ook ons guesthouse aan gevestigd was) naar de rivier, waar de hot spring direct naast ligt, maar een en ander liep uit op een enorme teleurstelling. In zeven jaar tijd was hier –in tegenstelling tot eerdere ervaringen- juist wél alles veranderd. Allereerst liep er nu een weg direct langs de hot spring, daarnaast waren er nu twee kleine baden in plaats van één grote en lagen die baden ook niet meer langs de rivier, maar daar zo’n 30 meter vanaf. Tussen de baden en de rivier stond nu een gedrogtelijk kraampje waar je ‘happy hour’ biertjes kon kopen. Dat het wel snor zat met de omzet bleek uit de meters brede en een meter hoge muur van lege bierflessen, die het zicht op de rivier ontnam. Wat een teleurstelling!

We liepen terug naar het guesthouse waar we de rugzak inpakten en onder het genot van nog een kopje koffie in het restaurant een beetje met de eigenaar van het guesthouse praatten. Ik was met name benieuwd naar het effect van de weg op het toerisme, en toen ik hem dat vroeg gaf hij aan dat de weh voor- en nadelen had, maar dat het grootste nadeel een terugloop in clandizie, de stank- en geluidsoverlast was. Het voordeel was dat het transport naar Pokhara nu stukken sneller ging.
Mijn inziens brengt de weg niet veel goeds voor de lokale bevolking. Goederen en mensen kunnen dan wel sneller getransporteerd worden, maar als de toeristen wegblijven dan moeten de mensen rondkomen van andere inkomsten en dat zal inhouden dat ze naar de stad zullen trekken en daar niet gelukkiger zullen worden.

Om 11.00 uur vertrokken we uit Tatopani en gingen op weg naar Ghorepani. Zouden we dezelfde “hel” beleven als 7 jaar geleden? Wat we zeven jaar geleden na afloop van het traject dat we vandaag weer zouden lopen tegen elkaar zeiden was ‘nooit meer!’. Nu stonden we weer aan de Kali Khandaki en begonnen we aan de 1.700 meter stijging naar Ghorepani. Maar eerst moesten we de rivier oversteken.

We verlieten Tatopani aan de andere kant van het dorp dan waar we binnengekomen waren stuitten direct op een politie check post, waar we ons lieten registreren. Dit was ongetwijfeld de mindst high-tech politiepost op de gehele route. De agent zat langs de weg achter een oud schoolbankje zoals we die in Nederland 70 jaar geleden ook hadden. Verder niets! Onze namen werden door de agent in een groot boek geschreven… net Sinterklaas. Daarna konden we eindelijjk op weg. We volgden de weg gedurende ongeveer een kwartiertje en in dat kwartietje passeerde tot twee keer toe een bus met een enorme stofwolk tot gevolg. Gelukkig konden we al snel de rivier oversteken en was het gedaan met het gemotoriseerde geweld, alhoewel ook aan deze zijde van de rivier wordt gewerkt aan een weg. Nu reed er sporadisch een tractor over de weg. De eigenaar van het guesthouse in Tatopani had ons verteld over de slechte bodem (dat die zo los ligt), met enorme landslides tot gevolg in het regenseizoen en ook nu was dit goed te zien. De boden bestond namelijk uit heel fijn zand of aarde, dat bij de eerste de beste regenbui wegspoelt en dat er nu voor zorgde dat het erg stoffig was. Daarnaast waren de sporen die de banden achterlieten, waren diep.

Het eerste stukje klimmen verliep probleemloos, zelfs met onze stamme bovenbenen. We liepen door agrarisch gebied met veel sinaasappel cq. Mandarijnbomen die nog vruchtdragens waren. Onderweg kochten we drie enorme mandarijnen van een jochie die de manderijnen op het pad aanbood. Vele jongeren deden dat, overigens.

We liepen verder en moesten een aardverschuiving trotseren. Over stenen en keien kropen we de steile helling op naar boven, om hevig bezweet bovenaan bij een onverharde weg te eindigen. We hadden een cola’tje verdiend en dronken die op een terrasje met een geweldig uitzicht over de groene vallei. We konden het wandelpad voor de komende uren goed volgen en Ramesch wees ons de richting die we op moesten. Het zou een lange dag gaan worden.

Na de break volgden we de weg, maar namen al vrijsnel enkele short cuts en opeens was de weg er niet meer en liepen we over een smal pad tussen de huisjes en de velden door, Bij de huisjes zaten vrouwen op de grond het graan te dorsen met een houten stok. Op andere plekken werkten de vrouwen in de moestuintjes. Het was opvallend hoeveel groente er nog groeit bij nachttemperaturen van nabij het vriespunt.
Rond 13.00 uur nam Ramesh een dhal bat. Wij sloegen de lunch over, na het stevige ontbijt van vanochtend, maar we verloren een uur aan wachten op de dhal bat.

Klik op foto voor vergroting Op weg naar Ghorepani

Klik op foto voor vergroting Op weg naar Ghorepani

Klik op foto voor vergroting Ghorepani

Na de lunch ging het allemaal een tandje langzamer. We raakten vermoeid en we bleven maar stijgen. We registreerden ons bij het eerste gecomputeriseerde checkpunt van het ACAP rond 15.00 uur en liepen verder. We begonnen er steeds minder zin in te krijgen. Net als zeven jaar terug zat het venijn weer in de staart. Moe, spierpijn en een grote stijging in de laatste 1 1/2 uur deden het moraal en het humeur geen goed. Zeker niet toen we onderweg vroegen hoelang het nog naar Ghorepani was en er werd geantwoord met “nog één uur”. Zou de man een Nederlands uur of een Nepalees uur bedoelen??

In het donker, chagarijnig en uitgeput kwamen we aan in Ghorepani en hoewel er meerdere overnachtingsmogelijkheden zijn in het dorp, besloot Ramesh ons te brengen naar een guesthousje dat nog een aantal traptreden meer stijgen lag. Het Nice Viewpoint lodge had een grote restaurantruimte en een open keuken. Daarnaast stond een olievat in het midden van de ruimte, waarin hout brandde en boven het olievat was een aantal waslijntjes van een meter lengte gespannen, waaraan ook wasgoed hing te drogen. Op de eerste etage waren de kamers; niet verwarmd (koud dus) en van elkaar gescheiden door triplex wandjes (gehorig dus).
Nadat we de rugzak op de kamer hadden gelegd strompelden we letterlijk de trap af en gingen om het hete olievat zitten. We bestelden twee borden macaroni met groente en kaas, dat al snel na de bestelling werd geserveerd. Met een hoop ketchup erover smaakte het best aardig.
Een grote groep Japanners (tie mensen of zo) zat aan een lange tafel naast ons te eten en na het eten werd de gitaar ter hand genomen en werd er gezongen; afwisselend Japanse liedjes, maar op verzoek van andere gasten ook Westerse liedjes, wat ertoe leidde dat er vrijwel alleen maar Beatles nummers werden vertolkt. Het was in ieder geval een gezellige boel.

We stonden een zeer lange tijd onder de super hete douche. Het water wordt namelijk verwarmd door het houtvuurtje in het olievat. Door het olievat heen lopen de waterbuizen. De douche was heerlijk!

Opgewarmd en weer fris doken we in onze slaapzakken en lazen we nog wat. Toen we het licht uitdeden, konden we nog lang nagenieten van ‘Hé Dude’, ‘Yesterday’, ‘Let it be’ enzovoort.


Zondag 5 december 2010

Rond 05.00 uur was het onrustig in het guesthouse. Iedereen stond op om zich voor te bereiden voor de 300 meter klim naar het uitzichtput Poon Hill. Gelukkig hadden we de oordopjes in en hadden we niet veel last van het lawaai. Gisteravond hadden we al besloten om de zonsopkomst deze ochtend maar aan ons voorbij te laten gaan en wij bleven als enige dus liggen.
Om 06.15 uur ging de wekker. Omdat Ramesh altijd probeert de beste kamers voor ons te bemachtigen, konden we de zonsopkomst al liggend in ons bedje door het venster zien. Het enige dat we hoefden te doen was de wazem van het raam afvegen.

We ontbeten met een Tibetaans brood (soort zoetige chapati) met pindakaas en een omelet en na het ontbijt gingen we op pad. We hadden gehoopt dat het pad zou afdalen, maar eerst moesten we toch nog 300 meter hoogteverschil overbruggen. We liepen door rhodondenderonbossen. De rhodondenderonbomen zijn hier metershoog. Na 1 ½ uur wandelen kwamen we aan bij een tweetal café’tjes, waar we hete chocolademelk dronken op een terrasje in het zonnetje. De volgende 1 ½ uur daalde het pad stevig en volgden we een smal riviertje door donkere wouden. We lunchten rond het middaguur met een bord macaroni en een pizza en na de lunch daalden we verder om het laatste stukje totaan Tatapani weer stevig te klimmen.

Rond 14.45 uur kwamen we aan in Tadapani, een klein dorpje op een heuveltop dat bestaat uit een aantal guesthousjes en niets meer dan dat. We kregen een kamer op de eerste etage naast het gedeelde toilet, dat zowaar uit een westers toilet bestond dat ook nog eens doorgespoeld kon worden.

Klik op foto voor vergroting Ons guesthouse in Tadapani

Als eerste wasten we wat kleding uit (maakten die minder vies!) en hingen dat te drogen in de zon. We moesten optimaal gebruik maken van de zon en dus pakten we stoelen en gingen in het zonnetje zitten en bestelden een grote thermoskan thee.
’s avonds trokken we naar een losstaande gebouwtje, dat als eetzaaltje fungeerde. Het was druk met toeristen; we waren wel met 16 personen of zo. Er stond één lange tafel met een zware doek over de tafel gedrappeerd. We herkenden het van zeven jaar geleden. We wisten dat onder de tafel hete kolen zouden worden gelegd en zodoende de ruimte onder de tafel warm werd gehouden. Maar tijden veranderen.
Voor we het wisten stond er een enorme wokbrander die op kerosine brandde onder de tafel. Het werd lekker warm, totdat er iets misging met de kerosinebrander.
Het begon vreselijk te stinken en te roken en de eigenaresse werd er snel bijgeroepen. Het bleek dat de kerosinebrander de kerosine niet volledig verbrandde (met een blauwe vlam), maar onvolledig, namelijk met een meterhoge gele steekvlam. Inmiddels was iedereen naar een deur gerend en had deze geopend (aan drie zijden van de eetzaal waren openslaande deuren naar buiten). Niet echt een veilige situatie.
Na het (matige) eten maar weer snel naar de slaapzakjes.


Maandag 6 december 2010

Ontbijt met een bananenpannenkoek en muesli met warme melk. We verlieten Tadapani en liepen verder door een dicht woud van Rhodondenderonbomen. Het bos was echt schitterend. Er vochtig, getuige de mossen op de bodem. Van alle accommodatie tot op heden was die in Tadapani van de slechtste kwaliteit, ondanks het mooie uitzicht op de Annapurna South en de Fish Tail mountain.

Na 1 ½ uur lopen kwamen we aan in Ghandruk. De bossen werden bij Ghandruk verruild door agrarisch gebied en we liepen weer door de rijsttrerrassen. In Ghandruk dronken we een cola’tje in de tuin van een guesthousje. Het was in Ghandruk veel mooier dan in Tadapani. Schitterende vergezichten en ook een mooi uitzicht op de Annapurna South en de Fish Tail, maar wel vanuit een andere hoek dat in Tadapani. (Tip: skip Tadapani en loop door naar Ghandruk!)

Na de break kregen de knietjes het weer zwaar te verduren. We moesten helemaal afdalen tot aan de rivier (enkele honderden meters) om vervolgens na het oversteken van die rivier weer te stijgen naar een dorpje dat vanuit Ghandruk schijnbaar op ooghoogte lag. We begonnen met de afdaling die grotendeels trapsgewijs ging. Onderweg moesten we nog even plaats maken voor een waterbuffel die met een veel grotere snelheid de trappen afliep dan wij.

Bij de rivier aangekomen, lunchten we en na de lunch begonnen we aan de klim naar Landruk. Het was een uurtje traplopen en dat was behoorlijk inspannend, maar in Landruk zouden we overnachten en dat maakte een hoop goed. De eerste indruk van Landruk, bovenaan de trappen, werd gevormd door troosteloze guesthousjes en was niet zo goed, We vervolgden onze wandeltocht over de trappen door het dorp. Het viel op dat het er zo goed als uitgestorven was. Ramesh gaf aan dat de ouderen op de landerijen aan het werk waren en dat de jeugd was weggetrokken naar de grote stad. Het ‘centrum’ van het dorpje zag er wel verzorgd uit, alhoewel een aantal guesthousjes voorgoed de deur gesloten had. Vrijwel aan het einde van het dorp lag een aantal guesthousjes die van betere kwaliteit waren en daar was het dan ook drukker met toeristen.

Landruk ligt aan de oostzijde van het dal en dat betekende dat we konden genieten van de middagzon (anders dan in Ghandruk, dat aan de westzijde van het dal ligt). Als eerste deden we de was in het guesthousje, dat er verdomd leuk uitzag. Daarna konden we onszelf even reinigen in de met behulp van een electrische boiler verwarmde douche. Die was door de eigenaresse op ‘zomerstand’ gezet, maar werd door ons op ‘winterstand’ gezet, wat inhield dat het water warmer was.

’s Avonds genoten we allereerst van de schitterende zonsondergang die de hemel boven de valei rood en roze kleurde voordat we gingen eten. Na het eten, het gebruikelijke programma.


Dinsdag 7 december 2010

Na een goede nacht slapen en een best oké ontbijtje gingen we op weg naar Dhampus. Het eerste stuk van de wandeling was Nepalees vlak. We liepen over een pad ver boven de rivier. Het uitzicht was schitterend.

We deelden het pad met een aantal scholieren in uniform die in rap tempo op hun slippetjes naar school renden, danwel stevig doorstapten. Wij deden het beduidend langzamer aan en stopten regelmatig om van het uitzicht en de het leven in de dorpjes te genieten. De Annapurna South wilde maar niet uit ons gezichtsveld verdwijnen. De zon kwam net over de berghelling, wat resulteerde in schitterende kleurschakeringen.

Na een cola break begonnen we aan een klim van 500 meter. Gelukkig was het de laatste klim van de wandeltocht, want de puf voor steeds weer zo’n klim neemt in rap tempo af.. Eenmaal bovenaan gekomen lunchten we met een soepje en een portie Pagoda’s. De zon brandde fel op ons en we zochten al snel een plekje in de schaduw. We waren al verhit van onszelf van de klim.

Na de lunch was het nog twee uur -Nepalees vlak- naar Damphus, waar we rond 15.00 uur aankwamen. Het guesthouse lag aan de schaduwzijde van de berg en dus konden we nog maar heel kort genieten van de laatste zonnestralen. Ramesh wilde in Damphus overnachten om de volgende ochtend naar de zonsopgang te kunnen gaan kijken. Niet veel mensen doen dat waarschijnlijk, want in het dorp was geen andere toerist te bekennen in het langgerekte dorp. (En ons advies zal ook zijn om door te lopen naar Ophed en van daaruit een taxi te nemen naar Pokhara)

Het avondeten was eenvoudig, maar goed. Tijdens het avondeten viel de stroom uit in de hele omgeving en was het pikkedonker. Gelukkig was er backup in het guestousje aanwezig, zodat toch nog één lamp in het restaurant brandde.

Met behulp van het licht van het schermpje van een mobiele telefoon werden we naar de kamer gebracht en konden we het slot openen. In de kamer was ook noodverlichting aanwezig en konden we met behulp van één lampje toch nog wat lezen.


Woensdag 8 december 2010

Vanochtend stonden we vroeg op om te gaan genieten van de zonsopkomst. We moesten een klein stukje om een heuveltop heenlopen om naar oostelijke richting te kunnen kijken. Bij een schooltje wilde Ramesh het schoolpleintje op en via een trap naar het dakterras van het schooltje, maar het hek bleek gesloten. Al snel was een oplossing gevonden. We konden namelijk via een laag muurtje ook het schoolpleintje bereiken. We namen de trap naar het dakterras en wachtten totdat de zon zich liet zien.
Plots ging een deur van het schooltje open en kwam een vrouw naar buiten. Zij was de concierge van de school en voorzag ons van een kop thee met een enorme hoeveelheid suiker erin, dat het glazuur op de tanden leek te barsten. Ramesh vond het echter heerlijk.
Het was een klein beetje bewolkt en daardoor was de zonsopkomst niet super, maar toch best mooi. Met name de Machupuchare (Fish Tail) die steeds meer verlicht werd was schitterend om te zien.

We ontbeten in het guesthouse en vertrokken daarna voor de laatste 1 ½ uur naar de ‘grote’ weg in Phedi. En dat was alsmaar trappen lopen naar beneden en soms was dat behoorlijk steil. We kwamen toeristen tegen die net begonnen waren. Eén stel stond al na korte tijd te rusten en vroeg ons ‘hoe ver het nog was’. Dat belooft wat, want ze zijn pas net gestart. Het laatste stuk van de wandeling ging door de rijstvelden.

Bij de geasfalteerde weg stonden twee taxichauffeurs te wachten en na wat onderhandelen bracht één van de chauffeurs ons voor 70 rupees in z’n Suzuki Alto naar Pokhara, waar we aankwamen met nog maar 260 rupees in onze portomonee. De chauffeur reed uiterst relaxed. Zeer aangenaam.

In Pokhara werden we afgezet bij het Nirvana Guesthouse, waar we kamer 104 kregen op de begane grond. De ruime kamer had een eigen badkamer en kostte us$ 10 per nacht. We vroegen de manager of onze rugzak was afgeleverd vanuit Kathmandu, maar dat zei hem niets. Hoewel we hadden gehoopt dat de rugzak naar Pokhara was gebracht, maar we hadden we weinig vertrouwen in gehad. Maar.. de manager zou contact opnemen met Kathmandu en ’s avonds kwam de manager naar ons toe met de mededeling dat de rugzak morgen vanuit Kathmandu naar Pokhara zou worden gebracht.

Samen met Ramesh lunchten we in de tuin van het Boomrang restaurant. De tuin grenst aan het Phewameer. Het weer was schitterend en we genoten intens van het eten en van de niet te versmaden Ckicken Tikka Butter Masala en de Garlic Naan. We vraten bijna onze vingers op!
Wat een genot om na ruim twee weken ongeinsipreerd klaargemaakt en eenvoudig voedsel nu eindelijk weer eens iets smaakvols in de mond te hebben.
We overhandigden Ramesh het boek ‘Life of Pi’ met in het boek 3.000 rupees fooi voor de bewezen diensten. Het boek hadden we even daarvoor in één van de vele boekwinkeltjes gekocht en wijzelf hadden genoten van het absurde verhaal van Pi. “Als zijn ouders, die een dierentuin runnen in India besluiten naar Canada te emigreren, wordt een deel van de dieren verkocht aan dierentuinen in Canada en gaan dus mee op reis. A na een paar dagen zinkt het vrachtschip en belandt Pi op een reddingsboot, in het onwaarschijnlijke gezelschap van een hyena, een zebra, een orang oetang en een Bengaalse tijger. Het duurt niet lang of Pi en de tijger blijven over. Uiteindelijk dobberen ze samen 227 dagen lang op de oceaan. Wanneer ze uiteindelijk in Mexico stranden, verdwijnt de tijger onmiddellijk in de jungle en is er geen sterfeling die het verhaal van Pi gelooft”. Echt een leuk boek.

Na de lunch nemen we afscheid van Ramesh. Hij zou naar zijn peetoom gaan die in Pokhara woont en daar overnachten. De volgende dag zou hij terug gaan naar Kathmandu, waar de volgende toerist al weer op hem wacht. We spraken nog wel af dat we nog een driedaagse wandeltocht met Ramesh zouden maken in de Kathmanduvallei.

Nadat we ieders weegs waren gegaan, slenterden we door de hoofdstraat van het Lake Side in Pokhara. In 7 jaar tijd was er echt vrijwel niets veranderd. Dezelfde restaurantjes zaten nog op dezelfde plek, wat ook gold voor de supermarkt, de boekwinkeltjes, de reisbureautjes etc. De enige verandering die we waarnamen was dat er tegenwoordig geldautomaten staan, waar we vanochtend eerst naar toe waren gegaan.
We keken in de boekwinkeltjes en in de souvenirwinkeltjes, maar sloegen de trekking shops vrijwel allemaal over, op één na. In de Ghorepani Trekking Shop vroegen we of Kamal er was. Kamal was onze drager 7 jaar geleden. Helaas kregen we te horen dat hij op een trekking was. Volgens zijn schoonbroer ging het allemaal goed met hem en we waren blij dat allemaal te horen.

Vanuit een internetcafé’tje stuurden we een lange email naar huis om te laten weten dat alles goed met ons ging en dat we weer terug waren in de ‘bewoonde wereld’ met communicatiemiddelen en liepen daarna terug naar het hotel om een goede, lange douche te nemen.

’s Avonds aten we bij het Hungry Eye restaurant. We waren de enige toeristen, hoewel in ons geheugen stond geschrift dat het er goed en altijd druk was. Vanavond dus niet. We namen een ‘Sizzling’; stukjes biefstuk, die op een gloeiend hete, sissende en stomende plaat worden geserveerd.


Donderdag 9 en vrijdag 10 december 2010

Gistermiddag hadden we paragliders gezien boven het Phewameer, met de besneeuwde Himalaya op de achtergrond. Vanochtend liepen we door de hoofdstraat op zoek naar een restaurantje voor het ontbijt toen we een restaurantje passeerden, waar een tweetal Australiers zaten te ontbijten die we in Tadapani al tegengekomen waren. Enthousiast nodigden het net gepensioneerde stel ons uit om erbij te komen zitten en al snel ging het verhaal erover dat ze de dag ervoor iets fantastisch hadden gedaan…. ze waren namelijk gaan paragliden. Dit gaf voor ons de doorslag, alhoewel Remco altijd heeft gezegd dat er geen haar op z’n hoofd is die er aan denkt, om letterlijk en figuurlijk de sprong in het diepe te wagen. Als we het ooit een keer zouden willen doen, dan nu! De omgeving is hier zo schitterend, wellicht krijg je dat nooit meer.

We bestelden een uiterst lekker ontbijtje en spraken wat met de Australiers. We hadden aangegeven dat wij de World Peace Pagode wilden bezoeken en sloegen hun aanbod af om die dag met hun op te trekken.

Pas na zeer stevig onderhandelen namen we een taxi naar de World Peace Pagoda. De taxichauffeurs hebben allemaal dollartekens in hun ogen. Ze vroegen € 7,- voor het korte ritje, maar uiteindelijk wisten we de prijs terug te brengen tot € 4,50. Dat was aanvaardbaar.

Vanaf de World Peace Pagoda hadden we een schitterend uitzicht over de Himalaya. Ook zagen we nu pas hoe groot Pokhara was. Het meer reflecteerde in de zon en we zagen de vele roeibooitjes dobberen op het meer. Aan de overkant – met de Himalaya op de achtergrond- zagen we ze weer…. de paragliders die grazieus door de lucht zweefden.

We deden onze schoenen uit en bestegen de witte trappen van de Peace Pagoda. Omdat het uitzicht over het meer zó de aandacht trok, vergaten we dat we dat we niet antiklokwijs om de buddha heen mochten lopen. Gelukkig zagen we al snel dat we niet de enigen waren die die fout maakte. In de pagode waren in de vier windstreken nissen gebouwd met buddhabeelden en in een bronzen plaat stond het geboorteverhaal van buddhe.

We daalden de berg af aan de kant van het meer en liepen door een bos met hoge bomen. We hoorden een hoop geritsel en kwamen er al snel achter dat een hele groep apen zich verplaatsten van boomtop naar boomtop. Na een stevige afdaling kwamen we uit bij een restaurantje aan het meer. Hier dronken we een cola en kochten we kaartjes voor het boottochtje naar de andere kant van het meer.Een oud baasje peddelde ons in een roeibootje over het gladde water van het Phewameer. We voeren langs de tempel die op een eilandje in het meer staat, maar we voelden niet de mindste aandrang om de tempel een bezoek te brengen.

De rest van de middag deden we weinig, we zaten in een luie stoel bij één van de restaurantjes met een tuin aan het meer, dronken een biertje, lazen wat en genoten van het schitterende uitzicht.
Aan het einde van de middag huurden we een roeibootje voor één uur en peddelden we zelf wat over het water. Snel ging dat niet met slechts één roeispaan. Maar het uitzicht was weer erg mooi. En telkens werd de aandacht weer getrokken door de paragliders.
Eenmaal terug aan wal liepen we naar één van de bureautjes die het paragliden aanbied en informeerden we naar de mogelijkheden

’s Avonds aten we uitstekend in het Moondance restaurant dat bomvol zat. Wat een positieve referentie in de Lonely Planet al niet teweeg kan brengen. Elders was geen toerist te vinden in de restaurants (erbij gezegd dat het wél laagseizoen is) en hier zat het vol.


Vrijdagochtend liepen we na het ontbijt naar het bureau van Sunrise Paragliding. Een Europese jongen stond ons te woord en raadde ons aan de tweede vlucht van de dag te nemen, omdat dat de condities het beste waren. Die tweede vlucht zou om 12.30 uur zijn.

Klik op foto voor vergroting

Gereedmaken voor de afsprong

Klik op foto voor vergroting

Foto van bovenaf genomen

Klik op foto voor vergroting

Free as a bird!

We moesten ons om 11.30 uur weer melden bij het bureautje en werden toen met een jeep in een half uurtje tijd naar Sarangkot gebracht. In de jeep zaten we samen met een Australisch meisje, twee lelijke Fransmannen en een Nepalees. Boven aangekomen stopte de jeep langs de weg bij een helling. We stapten uit en direct kwamen een paar kleine jongetjes helpen om de paragliders van het dak van de jeep te tillen en mee te nemen naar een open stuk tegen de helling, waar op de grond allemaal jute zakken lagen. De jongetjes prepareerden de paragliders, terwijl –zo nu bleek- de lelijke Fransmannen en de Nepalees ons in het harnas joegen. Toen alles gereed was kregen we een zeer korte instructie. De piloten gaven slechts drie instructies: op mijn commando ga je lopen, op mijn commando ga je rennen en op mijn commando ga je zitten. Het eerste commando was om de parachute op te richten, het tweede commando was om van de berg af te rennen en het derde commando was eigenlijk overbodig, omdat we opeens in het luchtledige renden. Marjolijn vertrok als eerste en kort daarna koos Remco het luchtruim. Bij de afzet hadden we beiden niet de mindst last van zenuwen.

De vlucht was écht schitterend. We vlogen hoog boven de rijstterrassen. We zagen de zon reflecteren in het water van het Phedimeer en het uitzicht op de Himalaya was als nooit tevoren. Wat een grandioze belevenis!

We hadden verwacht dat het heel rustig zou zijn onder de parachute, maar er bleek toch behoorlijk wat wind te staan. Het draaien ging soms een beetje schokkerig, net alsof je in een zweefmolen zat. Helaas waren we na een half uurtje weer terug op vaste grond. Ook de landing ging gepaard met twee instructies: op mijn commando ga je staan en op mijn commando ga je lopen. Het eerste commando leek een beetje vreemd, maar toen we nog maar een meter of tien boven de grond waren, gingen we ‘uit gewoonte’ staan. We bungelden enkel aan een paar draadjes, maar op de een of andere manier deed dat er niets toe. De landing zelf verliep super soepel en het was nauwelijks nodig om te lopen; de parachute kwam op de juiste manier terecht op de grond.

De parachutes werden weer ingepakt door een aantal kleine jongens, terwijl wij van een cola’tje ‘genoten’. Daarna stapten we weer in de jeep en werden we teruggebracht naar het bureautje van Sunrise Paragliding, waar we natuurlijk de dvd kochten met de foto’s en de video die tijdens de vlucht door een van de Fransmannen was genomen.

De rest van de middag luierden we wat en genoten we na van de vlucht. We gingen naar een internetcafé om het thuisfront op de hoogte te stellen van onze daad en direct enkele foto’s te mailen.

’s Avonds gingen we weer naar het Moondance Restaurant, waar we ons te buiten gingen met maar liefst drie hoofdgerechten voor ons tweeen.


Zaterdag 11 december 2010

We ontbeten in hetzelfde restaurantje waar we de Aussies hadden ontmoet. Op de hoek van de straat naast het restaurant clusteren taxichauffeurs samen en we keken of we dezelfde chauffeur konden vinden die ons ook van Phedi naar Pokhara had gebracht. We hadden hem namelijk het ritje naar Bandipur beloofd. Het was verbazingwekkend dat we de chaufeur ook echt zagen en we spraken af dat hij ons om 10.00 uur bij het hotel op zou komen halen.

Maar eerst liepen we voor de laatste keer in Pokhara naar de geldautomaat. Helaas kun je per dag maar maximaal 10.000 rupees (€ 100,-) opnenem. (Bij thuiskomst zou blijken dat de commissie torenhoog is)

Om 10.00 uur stond de witte Suzuki Alto voor de deur, rekenden we de kamer af en bedankten we de manager voor z’n goede zorgen. De chauffeur reed via het oude Pokhara (gelukkig dat we daar niet heen zijn gelopen, want er was weinig bijzonders te zien op een groot aantal stoffige winkels langs een brede, drukke straat na) naar de ‘snelweg’ tussen Pokhara en Kathmandu. We hadden de chauffeur gevraagd even langs de twee meertjes op zo’n 10 kilometer buiten Pokhara te rijden, wat hij zonder problemen deed. Bij één van de meertjes parkeerde hij de auto en konden we even naar het meertje lopen. Het was er behoorlijk druk met lokale bewoners, maar er was verder geen toerist te bekennen. Het stuwmeertje lag wel mooi, maar er was verder weinig reden om hier lang te blijven. De bergen op de achtergrond waren gehuld in de wolken en we realiseerden ons dat we gister geluk hadden gehad met het weer tijdens onze vlucht.

We liepen terug naar de taxi langs een visafslag, waar enorme vissen werden gefileerd en gewogen op een enorm grote, ouderwetse weegschaal met echte gewichten. Het stonk er behoorlijk.

We vervolgden onze weg naar Bandipur. De slogan van de chauffeur was ‘slow drive, long life’ en dat was goed te merken. Zelfs tegen de heuvels op reed de chauffeur in de vierde versnelling en als slakken kropen we de heuvel op en werden we door Jan en alleman ingehaald. Buschauffeurs reden als gekken. De chauffeur gaf aan waarom ze dat deden. Het was namelijk om elkaar de klanten die langs de weg stonden te wachten af te troeven.

Het was waarschijnlijk de eerste keer dat de chauffeur buiten Pokhara reed, want hij wist de weg naar Bandiour niet. Om de haveklap vroeg hij de weg en dat terwijl het zo simpel is, namelijk bij het plaatsje Dumre rechtsaf.

Bij Dumre stond de afslag naar Bandipur duidelijk aangegeven. We moesten tol betalen om naar Bandipur te komen. Het laatste stuk was over een weg die net één auto breed was en die meanderend naar boven ging. Ook nu vond de chauffeur het niet nodig de versnelling te verlagen en als een slak kropen we naar boven.

In Bandipur namen we afscheid van de chauffeur en liepen direct de verkeerde kant op. In plaats van naar het ‘centrum’ van Bandipur te lopen, liepen we naar het Tulhikel, een groot open en vlak terrein, waarvan het uitzicht over de vallei grandioos is. De normaal gesproken verlaten vlakte werd deze zaterdagmiddag bevolkt door een enorme menigte van jongelui en er was overal muziek op de vlakte. Op vele plekken werden versnaperingen verkocht en het was een druk, maar gezellige boel. Maar niet met twee grote rugzakken.

Klik op foto voor vergroting

De hoofdstraat in Bandipur

We liepen terug en kwamen via de andere kant Bandipur binnen (het is écht een heel klein dorp) en liepen naar het Bandipur Guesthouse, waar we een kamer op de eerste verdieping bekeken. We vonden de kamer nogal bedompt en klein en het sanitair was gedeeld. Daarop besloten we om naar het drie keer duurdere (na onderhandeling over de prijs) ‘Village resort’ te gaan. Daar was de kamer 1.200 rupees (€ 12,-), maar hadden we een ruime, nette kamer met eigen faciliteiten. Van het ‘resort’ was overigens niets te herkennen.

Klik op foto voor vergroting

De hoofdstraat in Bandipur


Allereerst namen we een warme douche en bekeken we BBC World op de televisie. Er is nog niets veranderd in de wereld en dus zetten we de televisie uit en gingen we de bruisende stad verkennen. We liepen weer naar Tudikhel en bekeken het uitzicht vanaf het ‘balkon’. De bergen waren nog steeds gehuld in de wolken, dus het uitzicht was nu niet zo denderend. Het uitzicht op de vallei was wel mooi. We liepen door de hoofdstraat van Bandipur, waar weinig te doen was en namen plaats op een terrasje in de zon en bestelden een porti (versgemaakte) vegetarisch Pagoda’s en een fles bier, lazen wat in onze boeken en werkten het dagboek bij. Nadat de zon achter de helling was verdwenen werd het koeler en verlieten we het terrasje.

’s Avonds aten we bij kaarslicht in het Bandipur Guesthouse.


Zondag 12 december 2010

De dynamiek van Bandipur werd ons teveel en we besloten om na het ontbijt (dat steeds in delen werd geserveerd) nog een korte sight seeing te doen en daarna de jeep te nemen naar Dumre en daar te bekijken hoe we naar Kathmandu zouden kunnen komen.

We liepen door alle drie de straten van Bandipur en namen het rustige dorpsleven in ons op. Grappig was om te zien dat de katten hier bang zijn voor kippen, want toen een kat een doorgang zocht, maar een kip op z’n weg trof sloeg de angst bij het beestje toe. Hij nam een aanloop en rende langs de kip, die haar vleugels spreidde en pikkende bewegingen maakte in de richting van de kat.

We haalden de rugzakken op in het ‘resort’, rekenden af en liepen naar de jeep stand. We namen plaats achter in de laadbak van de jeep en moesten wachten totdat deze vol was. Eerder zou de jeep niet vertrekken. In eerste instantie leek dat eindeloos te gaan duren, maar opeens kwamen de medereizigers uit het niets op de jeep af en voor we het wisten gingen we met 30(!!) passagiers in en op de jeep op weg naar beneden. Het was een enge boel, zo druk!

Langzaam daalden we af totdat we in Dumre werden gedropt, midden in de hoofdstraat met de vele winkels en de enorme bedrijvigheid. We betaalden de 35 rupees kosten voor de rit en werden al vrij snel door iemand aangesproken die ons wel wilde helpen om vervoer naar Kathmandu te regelen. Met lichte scepsis hielden we z’n aanbod af, maar toen een minibus verscheen en deze jongen ons op de microbus (voor 12 personen, waar er natuurlijk veel meer in gingen) wees, stapten we toch maar in. We namen plaats achter elkaar aan de linkerzijde van de bus, waar enkele stoelen achter elkaar waren geplaatst. Aan de rechterzijde waren bankjes voor twee personen en we wilden niet het risico lopen die met z’n drieen te moeten delen. Je weet maar nooit.

De rugzakken gingen op het dak en werden goed vastgesjord. We vertrokken. We hadden voldoende beenruimte en de rit verliep soepel.

Exact 100 kilometer van Kathmandu stopten we bij een benzinestationnetje voor de lunch. Er was een dhal bat-buffet voor de Nepalezen en twee zakken chips en cola voor ons. NA 20 minuten vervolgden we de tocht en zou het nog drie uur duren voordat we in Kathmandu aan zouden komen. Met name het laatste deel en zeker in Kathmandu zelf bewogen we ons voort als slakken. Rondom Kathmandu hing enorme smog en de veroorzakers daarvan reden voor ons, achter ons en naast ons, namelijk enorm veel vrachtwagens. Ongelofelijk hoeveel er in Nepal wordt verplaatst per vrachtwagen!

Niemand houdt zich aan de verkeersregels en dat is één van de redenen waarom het verkeer stokt. Men keert gewoon op de weg en chauffeurs proberen ieder gaatje in een file te vullen, met als gevolg dat per saldo iedereen langzamer uit is.

Plots stopte de chauffeur langs de weg en gaf hij aan dat dit de beste plaats was om uit te stappen als we naar Thamel wilden. Hoewel ik de omgeving nog herkende van de heenweg, wist ik de lokatie niet te plaatsen ten opzichte van Thamel. Maar al snel zaten we in een taxi, die ons naar Thamel bracht. Deze chauffeur wilde zich er echter makkelijk vanaf maken en nam éénrichtingstraatjes die niet leidden naar waar wij hadden gezegd dat we heen wilden. En zo kwam het dat we midden in Thamel werden afgezet en nog een stukje moesten lopen. De chauffeur moest het op zijn beurt doen met een lagere vergoeding (100 in plaats van 150 rupees) dan dat we waren overeengekomen. Hij had er vrede mee.

We kregen in het Sacred Valley Inn een kamer op de vierde etage. Lekker ver weg van de generatoren. Althans dat dachten wij, maar ’s avonds bleek dat de buurman een generator op het dak had staan (grrrrrr).

We aten bij Kilroy’s. Drie weken geleden moesten we nog bij kaarslicht op het terras buiten eten omdat het restaurant afgeladen vol zat. Nu zaten we er vrijwel alleen. Nog drie andere tafeltjes waren bezet. Het eten was echter, net als de vorige keer, erg goed.

Na het eten liepen we terug naar het hotel en konden we nog een uurtje genieten van de generator van de buurman. Gelukkig viel die rond 21.30 uur stil en konden we ontspannen gaan slapen in het brede tweepersoonsbed.


Maandag 13 december 2010

Gistermiddag hadden we een uitstekende koffie gedronken in het Himalaya Java café aan de Trevedi Marg. Wel werden we weer (het was al eerder gebeurd) aangesproken door een verwaarloosde blonde europeaan (wij noemden hem inmiddels Heinrich) die iedere keer maar blokfluitjes aan ons probeerde te slijten.

Vanochtend liepen we naar het Backery café, dat zich onder het Himalaya Java café bevindt om te gaan ontbijten, maar we vonden het aanbod en de enthourage niet zo. We besloten daarop om toch maar weer naar de Pumpernickel ta gaan, waar ze goede broodjes en dito koffie hebben. Na twee sandwiches, twee verse jus d’orange en een grote pot koffie (€ 9,85) liepen we naar de Swayambunath tempel. Eerst liepen we door toeristisch Thamel, maar al snel liepen we door straatjes waar alleen nog maar goederen werden aangebonden die niet op de toeristen waren geent. Eigenlijk veel leuker.

We staken een open riool –eh pardon: de rivier – over en al snel daarna begonnen we aan een klim naar boven. We kwamen uit aan de voet van de Swayambunath. We werden begroet door een aantal kleurrijke Buddhabeelden en een grote stoet apen. We lieten het na om een kaarsje aan te steken, maar begonnen de trap te bestijgen die naar de tempel leidde. Langs de trap stonden stalletjes waar iedereen exact hetzelfde aanbood als zijn of haar buurman. Onze aandacht ging uit naar een twee grote groepen rivaliserende apen die elkaar achterna gingen en naar elkaar schreeuwden. De trap werd steiler en bovenaan de trap kochten we de entreebewijzen.

Klik op foto voor vergroting Swayambunath

Klik op foto voor vergroting

Klooster

Klik op foto voor vergroting Omgeving Pokhara