Delhi, 1 december 2007

We hebben het er vaak over gehad. We zouden een keer naar India moeten afreizen. Altijd al heeft dat land een bepaalde aantrekkingskracht op ons gehad, maar ook altijd stelden we het weer uit omdat we toch ook wel weer een bepaalde weerstand tegen dat land hadden vanwege de verhalen die de ronde doen over de smerigheid, de drukte, de hitte etc. Maar op 30 november 2007 stapten we dan toch op het vliegtuig naar Delhi, via München.

Om 13.20 uur zou het vliegtuig vertrekken en daarom namen we om 11.40 uur de bus naar Schiphol. Het inchecken verliep langzaam, want een grondstewardess werd ingewerkt. Nu nog plakte ze de bagagelabels met uiterste precisie op de boarding cards. Het zou waarschijnlijk niet lang duren voordat ze de onverschilligheid van menig van haar collega’s zou aannemen.
Bij de douane moesten de bergschoenen zelfs uit voor de zwaar overdreven controles en daarna liepen we door naar gate B9 voor het vliegtuig. We hadden geen mooie dag uitgekozen om te vliegen, want het was behoorlijk mistig. Vlak nadat we waren opgestegen, zaten we al in de wolken.
De vlucht naar München verliep uitstekend. In het anderhalf uurtje vliegen deden de stewardessen nog de moeite om ons te voorzien van een oud broodje kaas (waarom is het toch zo moeilijk om een fatsoenlijk broodje te serveren?) en een drankje.
Daar waar Lufthansa iedere dag van de week –behalve op vrijdag- een vlucht om 16.40 uur naar München heeft en daarmee een perfecte overstaptijd heeft voor de vlucht naar Delhi, en wij uitgerekend op vrijdag vertrokken, moesten we nu 4 uur wachten op München.
Het wachten begon al in het vliegtuig, want er was geen parkeerplaatsje voor onze Bombardier CJG 900 toestel. Die kon vanwege de afmeting van het toestel niet aan een pier, maar moest op een parkeerplaats worden geparkeerd. Er was echter geen plaatsje vrij en we moesten ongeveer 15 minuutjes wachten.

Met de bus werden we naar het hypermoderne luchthavengebouw gebracht. In het Europese deel van de luchthaven (terminal 1) waren keurige pantry’s ingericht waar machines stonden waaruit gratis koffie of thee kwam en er lagen gratis kranten. Opvallend genoeg waren deze faciliteiten in het internationale deel van de luchthaven (terminal 2) niet aanwezig.

Wachtend op de vlucht naar Delhi werden we omringd door vele nationaliteiten; Spanjaarden, Noren, Engelsen, Duitsers natuurlijk en wonderbaarlijk veel Indiërs.

De 6 ½ uur durende vervolgvlucht vlucht naar Delhi in de (oude) Airbus A340-300 verliep goed. In het vliegtuig ontbrak het aan de laatste moderne snufjes, zoals een eigen videoschermpje. In plaats daarvan hingen grote toestellen in het middendeel van het vliegtuig. Niet meer van deze tijd.

Op het avondeten moesten we ruim drie uur (!) wachten. Daarmee komt Lufthansa toch in de lagere regionen als het neerkomt op service. Lufthansa maakt haar slogan ‘There is no beter way to fly’ absoluut niet waar. Anders zou ze namelijk Thai Airways, Singapore Airlines, Malaysia Airlines en vele andere maatschappijen achterzich laten in de ranglijst van maatschappijen met de beste service. En dat is niet zo.

Rond 07.30 uur lokale tijd landden we op een mistig Delhi International Airport. Ten opzichte van de zo mooie luchthaven van München, leek het er wel op dat we zo’n 75 jaar terug in de tijd gingen toen we het luchthavengebouw van Delhi binnentraden.

De paspoortcontrole was heel on-Aziatisch. Die verliep namelijk tamelijk efficient (Britse invloeden?) en al snel stonden we in een grote hal op onze bagage te wachten. Toen die op de bagagetrolley lag en we via de ‘Green lane’ naar buiten liepen (volgens ons was er maar een lane) zagen we onze naam prijken op een bordje van het C Park Inn, dat onze chauffeur in z’n handen hield. Het C Park Inn hadden we via het internet geboekt, evenals een pick up service vanaf de luchthaven.

Nadat we door de Green Lane waren gelopen, zagen we een ATM (geldautomaat) ergens in een hoek van de vierkante ruimte staan, waar we de eerste rupees pinden. Daarna liepen we achter de chauffeur aan naar de auto. We verbaasden ons direct over de omgeving van de luchthaven; alles zag er zwaar verwaarloosd en stoffig uit.
De auto bleek een Suzuki 800 te zijn. Dit model is bij ons bekend als de Suzuki Alto. Niet zo’n hip karretje zoals die nu worden verkocht in Nederland. Nee het was het type dat zo’n tien jaar geleden hier werd verkocht. De auto had betere tijden gekend. Hij zat vol deukjes, krassen en de spiegels ontbraken.
Op weg naar het hotel kwamen we erachter dat het helemaal niet zo bijzonder is dat een auto geen spiegels heeft. Bij meerdere auto’s ontbraken namelijk een of meer spiegels en van de auto’s die nog wel spiegels hadden, had de chauffeur ze ingeklapt, zodat niemand ze eraf zou kunnen rijden. Net nut van een spiegel werd hierdoor gereduceerd tot nul. Maar al snel kwamen we erachter dat het er niet om gaat wat er naast je of achter je gebeurt, maar dat het alleen relevant is wat er voor je gebeurt. Je anticipeert dus allen op het verkeer voor je. Dit levert een enorme chaotische situatie op.
Het begrip rijstrook kent men niet. Waarschijnlijk vinden de chauffeurs het maar vreemd dat er van die witte strepen op het wegdek zijn geschilderd. Op een stuk rijbaan met twee rijstroken in een richting, kunnen met gemak vier auto’s naast elkaar voor het verkeerslicht wachten; als er al gewacht wordt voor een verkeerslicht.
Onder de bomen die in de middenberm van de snelweg groeiden, lagen koeien te rusten.
Het hotel zag er best oke uit en het personeel was erg vriendelijk.  Nadat we de spullen op de kamer hadden gelegd en een kopje koffie hadden gemaakt met onze eigen waterkoker, wilden we graag naar het Rode Fort. De receptionist liep met ons naar buiten om een tuk tuk aan te houden en een prijs af te spreken naar het Rode Fort. Voor 70 rupees (1,20 euro) zouden we daarheen worden gebracht. Het verbaasde ons dat de rit toch nog zeker zo’n 20 minuten duurde, ondanks dat we op het plattegrondje in de Lonely Planet redelijk de route konden volgen en de chauffeur vrijwel de kortste route nam.
Bij het rode fort kochten we entreebewijzen en liepen vervolgens naar de ingang. Voor de ingang waren drie strepen op de grond  getrokken, die samen twee banen vormden; vrouwen moesten in een andere rij aanschuiven dan de mannen. Gelukkig waren er geen bezoekers voor ons en konden we, ieder in onze eigen baan, direct naar de personencontrole. De rugzak moest door de rontgenmachine en wij werden gecontroleerd met een metaaldetector.
Het Rode Fort was best mooi. Boven het fort vlogen vele roofvogels en binnen de muren van het fort stikte het van de eekhoorntjes. Later tijdens onze reis zouden we erachter komen dat deze eekhoorntjes absoluut niet zeldzaam zijn, maar nu –bij onze eerste confrontatie – vonden we ze erg schattig.
Complete schoolklassen bevolkten het Fort. Keurig gediciplineerd liepen de kinderen in een lange rij achter elkaar aan en ze zwaaiden en schreeuwden enthousiast ‘Hello’ naar ons toen ze langsliepen.
Na het bezoek aan het Rode Fort liepen we door de Chandi Chowk, de winkelstraat in de oude stad. We verbaasden ons over het aantal mensen dat zich door de straten persten. Het verkeer was enorm druk en het getoeter was onophoudend. Gelukkig was het met zo’n 25 graden Celcius voor Indiase begrippen erg koel. Anders –geloven wij- is het niet te harden in Delhi.
We lunchten bij een soort van bakkerijtje. We moesten eerst bij de eerste balie bestellen, toen bij de tweede balie (bij de kassa) betalen, om vervolgens naar de eerste balie terug te keren om onze afgerekende goederen op te halen.  De lekkernijen aten we op aan een tafeltje op de eerste etage.
Na de lunch liepen we door de zijstraten van de Chandi Chowk naar de Jami Mashid, de grootste moskee van India, die inmiddels de zon in de rug had en dus niet op de foto gezet kon worden vanwege het tegenlicht. Daarnaast was het nog steeds een beetje heiig, waardoor het fotograferen ook niet zou lukken.
We dronken een flesje frisdrank in een restaurantje en namen daarna een fietstaxi naar de Raj Ghat. Dit is de gedenkplek waar op 12 februari 1948 het lichaam van Mahathma Ghandi werd gecremeerd. Onze fietstaxichauffeur was –anders dan wij- een beetje levensmoe, want hij reed tegen het verkeer in, ons achterlaten in enkele angstige ogenblikken.
Bij de Raj Ghat was alles vreedzaam, afgezien van het onophoudelijke getoeter van het verkeer op de achtergrond. Borden in het groene park gaven aan dat het verboden was om op ht gras te gaan liggen, op het gras te spelen en op het gras te picknicken, maar dit alles zagen we gewoon gebeuren.
De gedenkplaats zelf bestaat uit een eenvoudige zwart marmeren stenen plateau, met daarnaast een eeuwige vlam.
Klik op foto voor vergroting We liepen verder naar het Ghandi museum, dat naast de Raj Ghat gevestigd is. In het gratis museum hing een groot aantal foto’s van Ghandi en z’n vrouw en er was een groot aantal gebruiksvoorwerpen van Ghandi uitgestald, waaronder een van z’n wandelstokken en z’n spinnenwiel. Ook lag z’n kleding er die Ghandi droeg toen hij door zijn eigen lijfwachten, met drie kogels om het leven werd gebracht. We namen een Tuk Tuk terug naar het hotel. Na wat onderhandelen kwamen we uit op 80 rupees. Het was ongeveer 16.45 uur toen we instapten en alsnel stonden we in de file bij Connought Place en kwamen we nog maar nauwelijks vooruit. Ondertussen probeerde de chauffeur om ons om te praten om te gaan shoppen, maar wij waren een beetje bekaf. Terug in het hotel om 18.00 uur ging dan ook snel het kaarsje bij ons uit en rond 19.30 uur lagen we op een oor.
We liepen verder naar het Ghandi museum, dat naast de Raj Ghat gevestigd is. In het gratis museum hing een groot aantal foto’s van Ghandi en z’n vrouw en er was een groot aantal gebruiksvoorwerpen van Ghandi uitgestald, waaronder een van z’n wandelstokken en z’n spinnenwiel. Ook lag z’n kleding er die Ghandi droeg toen hij door zijn eigen lijfwachten, met drie kogels om het leven werd gebracht. We namen een Tuk Tuk terug naar het hotel. Na wat onderhandelen kwamen we uit op 80 rupees. Het was ongeveer 16.45 uur toen we instapten en alsnel stonden we in de file bij Connought Place en kwamen we nog maar nauwelijks vooruit. Ondertussen probeerde de chauffeur om ons om te praten om te gaan shoppen, maar wij waren een beetje bekaf. Terug in het hotel om 18.00 uur ging dan ook snel het kaarsje bij ons uit en rond 19.30 uur lagen we op een oor.


Darjeeling, 2 december 2007

We pakten de tassen in toen we rond 07.30 uur wakker werden en we meldden ons vervolgens bij de receptie voor het ontbijt. Dat werd volgens de receptionist op de kamer bezorgd. We liepen terug naar de kamer met een medewerker van het hotel achter ons aan lopend. Op de kamer gaf hij ons een klein kaartje waarop de menu’s stonden. Nadat we hadden besteld, volgde binnen een kwartier het ontbijt op de kamer.
Na het ontbijt rekenden we de kamer en de pickup-service van de luchthaven af. We vroegen hoe we het beste naar de luchthaven konden komen en de receprionist stelde voor om voor 250 rupees een taxiservice te regelen. Daar zou het aanvankelijk een kwartiertje wachten op zijn, maar de auto bleek al binnen enkele minuten gereed te zijn voor vertrek. In een nieuwe Tata werden we naar de Domestic Terminal van de luchthaven gebracht, waar ‘dragers’ al naar onze auto kwamen gerend toen we aan kwamen rijden.
Hoewel we ruim op tijd waren, gingen we toch maar alvast het luchthavengebouw binnen en sloten we achteraan in de rij die voor de Air Deccan-balie stond.
Hoewel de meeste Indiers netjes aansloten achteraan in de rij, waren er toch enkele die zich boven andere leken te verheffen en probeerden voor te dringen, wat veelal stilzwijgend door anderen werd geaccepteerd.
De rugzakken werden eerst gescand en voorzien van een label dat de bagage was gecontroleerd, voordat die aan het einde van de band op de grond viel. Ruimte en tijd om de rugzakken op tijd weer op een bagagekarretje te laden was er niet, want de rij voor de incheckbalies stond muurvast.
Toen het ons eindelijk was gelukt om een plaatsje voor één van de incheckbalies te veroveren, zagen we pas goed hoe hectisch het er allemaal aan toe ging; meerdere vluchten werden tegelijkertijd ingecheck bij dezelfde balie, een ander dan de grondstewardess labelde de bagage. Het leek het wel of vijf personen tegelijkertijd door één grondstewardess werden ingecheckt. Waar we normaal gesproken altijd rustig ons beurt afwachten voor de incheckbalie, hield ik nu onze bevestigingspapieren continue zwaaiend in het zicht van de grondstewardess, om te voorkomen dat anderen steeds maar voordrongen.
Een mannetje schreef met een stift op de rugzakken de luchthavencode in plaats van dat er een sticker met de luchthavencode aan een handvat of zo werd bevestigd. Gelukkig werd de juiste luchthavencode op onze omhoezen van de rugzakken geschreven.
Nadat we –zonder onze paspoorten te hebben laten zien- onze boarding cards hadden gekregen, liepen we naar de persoonscontrole. Mannen en vrouwen werden gescheiden en de rest verliep redelijk recht toe recht aan.
We kwamen uit in een ruimte met vier “gates”. De ‘gates’ bestonden uit deuren naar het platform toe. Het was duidelijk dat we met een bus naar het vliegtuig zouden worden gebracht. Bij de ‘gates’ ging de chaos verder. We moesten eerst  naar gate 1 en toen iedereen zich daar had verzameld, werd de gate gewijzigd in gate 4 en toen iedereen daar stond, mochten we toch weer terug naar gate 1. Omdat de rij voor de gate door de stoelendans inmiddels behoorlijk lang was geworden, besloten we op de Indische manier naar buiten te komen: voordringen dus. En dat ging eerlijk gezegd best makkelijk. We moesten ook wel voordringen, want inmiddels was het 10.45 uur en ons vliegtuig zou om 11.00 uur vertrekken.
Dat zou 12.15 uur worden. In het vliegtuig wachtten we ruim een half uur voordat het toestel kon vertrekken. Daar waar in Europa de piloten niet echt duidelijk te verstaan zijn en weinig gegevens verstrekken, was onze piloot erg informatief. Hij vertelde van alles en nog wat, totaan het aantal vliegtuigen dat voor ons reed op weg naar de startbaan.
Ondertussen namen we het Inflight Magazine door. Daarin stond een stukje van de president van Kingfischer Airlines. In dit stukje maakte hij duidelijk dat Air Deccan min of meer overgenomen was door Kingfisher (49% belang) en dat sinds dit twee maanden geleden had plaatsgehad het al een stuk beter ging met de service en de punctualiteit van Air Deccan. Volgens Air Deccan is een vlucht niet vertraagd als die binnen 60 minuten na geplande vertrektijd vertrekt. Maar niet vandaag.

De vlucht verliep soepel. We hadden een tussenlanding en een uur later dan gepland landden we in Bagdhogra. Het vliegveld was erg klein. Er was één aankomsthal met daarin de transportbanden en een kantoortje van de pré paid taxi’s. Daar kochten we een ticket voor een taxi naar Siliguri. Daar zouden we over moeten stappen op een jeep richting Darjeeling. Later zouden we erachter komen dat het verstandiger was geweest om het luchthavengebouw uit te lopen naar de parkeerplaats en daar te informeren naar een taxi of jeep direct naar Darjeeling.
In Siliguri stapten we dus over in een jeep richting Darjeeling. We zouden niet helemaal doorrijden tot aan Darjeeling, maar halverwege in Kurseong stoppen. Vanuit Kurseong zouden we dan de volgende dag het toy treintje nemen naar Darjeeling.
We waren de eersten bij de jeep, samen met een Duits meisje dat we op de luchthaven in Delhi hadden ontmoet. We namen met z’n drieen plaats op de achterbank van de jeep. In totaal zijn er 10 zitplaatsen in de jeep; twee op de voorbank, vier op de middenbank en vier op de achterbank, maar met drie westerse konten was de achterbank echt wel volledig bezet. Toch wilde de chauffeur er graag nog een vierde persoon bij. Wij protesteerden hiertegen en besloten voor een vierde persoon te betalen (70 rupees = € 0.80), wat door de chauffeur geaccepteerd werd.
De weg naar Kurseong is wat je noemt een slechte weg en we reden helaas in het donker.
In Kurseong werden we voor de deur van het Kurseong Tourist Lodge afgezet, waar we ook incheckten. We hadden niet echt veel andere keus; Kurseong stond niet met een plattegrondje in de Lonely Planet, wat het navigeren al wat lastiger maakt (met name in het donker), maar het tourist Lodge stond als een goed alternatief beschreven.
De kamer bestond vrijwel geheel uit hout; parket en houten lambrizering tegen de muur en plafond en de douche in de badkamer was uitstekend.


3 december 2007

We werden vanochtend niet verblijd met het schitterende uitzicht vanuit het raam, zoals de Lonely Planet had beloofd. Toen we de gordijnen openden, bleek het mistig te zijn.
Klik op foto voor vergroting We liepen naar het treinstationnetje, waar we dachten kaartjes naar Darjeeling te kunnen kopen. Van de receptionist hadden we inmiddels la vernomen dat de vertrektijd van de trein was verlegd van erg vroeg in de ochtend (06.00 uur) naar 15.00 uur ’s middags voor het stoomtreintje. Rond 13.00 uur  zou de dieselversie Kurseong aandoen.
Het loket was nog dicht en we moesten ongeveer 20 minuten wachten voordat dat open ging en toen kregen we te horen dat de kaartjes slechts een uur van tevoren gekocht konden worden. Daarop liepen we een behoorlijk stuk naar een ander hotel voor het ontbijt. Als we hadden geweten dat het zo’n stuk lopen was, dan hadden we wel iets gereeld. Maar de wandeltocht was (op het getoeter van het gemotoriseerde verkeer na) best aardig. Die voer door de theeplantages.
Na het ontbijt liepen we terug naar ons eigen hotel. Inmiddels hadden we besloten de toy trein niet te nemen. Het uitzicht zou te beperkt zijn vanwege de mist en de trein zou ongeveer 4 uur duren, wat zou betekenen dat als het treintje om 15.00 uur zou vertrekken dat we ongeveer 1 à 1 ½ uur in het donker zouden rijden.
Voor het hotel stond het Duitse meisje te wachten. Zij zou een jeep nemen naar Darjeeling en wij gaven aan met haar mee te rijden als ze daar prijs op stelde. We moesten nog wel even de tassen inpakken en uitchecken.
Voordat we een jeep namen naar Darjeeling, dronken we eerst nog een kopje thee in het restaurant.
Als zeer snel toen we het hotel uitliepen,. stopte een jeep voor het hotel. Toen we een tijdje op weg waren, stopte de chauffeur langs de kant van de weg om ee stuk zeil over de bagage te spannen die op het dak lag. Het was inmiddels namelijk licht gaan regenen. Nadat we weer op weg waren, begon het behoorlijk hard te regenen. De chauffeur was net op tijd geweest. Wat ons echter meer zorgen baarde dan de regen (we hebben toch waterdichte omhoezen om de rugzakken) waren de compleet gladde banden van de jeep. In combinatie met regen zou dat extra gevaren op kunnen leveren.
Tientallen keren kruisden  we de spoorlijn die verder vrijwel continue paralel aan de weg liep. Toen iemand uitstapte, nam een mannetje dat tot die tijd naast ons had gezeten zijn plaats in en kregen wij gelukkig wat meer lucht. Het was nu namelijk niet mogelijk geweest een extra plaats te kopen en we zaten als sardientjes in
Eenmaal aangekomen in Darjeeling, waren we direct weer terug in de hectiek van de stad. In de straten was veel verkeerspolitie aanwezig (verkeerslichten ontbreken vooralsnog volledig), aan wie we om de 50 meter de weg vroegen. Al snel waren we in het hotel Seven Seventeen. Het hotel zou 1700 rupees per nacht kosten, maar we kregen zonder er zelf naar te vragen direct 50% korting.
’s Avonds hadden we met het Duitse meisje afgesproken in restauant Glenary’s. Zij kwam met nog een andere meisje, zodat we met z’n vieren aten. Het restaurant was niet verwarmd, maar het eten was erg lekker. Tijdens het eten werden de kaarsjes aangestoken, omdat het licht uitviel.
Na het eten liepen we door de donkere en uitgestorven straatjes van Darjeeling terug naar het hotel, dat overigens in het centrum ligt. In het hotel doken we snel in onze lekkere donzen slaapzakjes. Die hadden we meegenomen voor onze geplande trekking. En op een slecht geisoleerde kamer en buitentemparaturen van rond het vriespunt, was het best aangenaam in de slaapzakjes!


4 december 2007

Na een goede nacht slapen, namen we naast onze (te zware) dagrugzakken ook niog een weekendtas vol tweede hands kleding mee naar Glenary’s om te gaan ontbijten. De ontbijtkaart was beperkt.
We schoven aan bij het tafeltje waar Julia, het Duitse meisje, al zat. We maakten plannen voor deze dag en besloten om naar het Tibetaanse Refugee Camp te lopen en vervolgens door te wandelen naar de dierentuin van Darjeeling. Onderweg naar het refugee kamp vroegen we meerdere malen de weg. In de Lonely Planet stond dat je snel het spoor bijster zou raken op weg naar het refugee kamp, maar door de weg een aantal maal te vragen, liepen we in een keer goed. Eenmaal aangekomen bij het refugee kamp, bleek het gesloten te zijn. Dat wil zeggen dat er geen andere activiteiten zijn dan alleen het winkeltje dat geopend is. De manager was ook niet aanwezig, zodat wij onze tweede kands kleding maar achter lieten in het winkeltje. De kleding zou de volgende dag worden afgegeven aan de manager.
We vroegen de ‘verkoopster’ of de kinderen die aan het voetbalen waren op het terrein Tibetaanse vluchtelingen waren, maar hierop antwoorde ze ontkennend. Ze gaf aan dat alle ouders die hier woonden wel vluchtelingen waren uit Tibet, maar dat de kinderen die nu hier speelden allemaal hier geboren waren. Naast Tibetanen liepen er, volgens haar, ook veel Nepalezen rond.
We vroegen aan de ‘verkoopster’ de weg naar de dierentuin. Volgens haar zou het ongeveer drie kwartier lopen zijn. We moesten eerst via de theeplantage afdalen naar de weg en die vervolgens volgen. Dan zouden we er vanzelf komen.
De wandeling was aangenaam. De weg was vrijwel vlak en er was maar weinig verkeer. Het uitzicht op de besneeuwde bergen was fantastisch.  In tegenstelling tot gisteren, scheen vandaag het zonnetje, maar boven de bergen hingen toch nog witte wolkjes.
Na een uurtje wandelen kwamen we aan bij de dierentuin. We kochten entreekaartjes en liepen door het hek naar binnen. Speciale diersoorten in deze dierentuin zouden de witte sneeuwluipaarden, de zwarte beren, de Bengaalse tijgers en de rode panda’s zijn.
De twee zwarte beren moesten hebben geweten dat we zouden komen, want die stonden mooi te poseren voor ons. Ook de schitterende sneeuwluipaard was helemaal in z’n element en maakte bijzondere sprongen in z’n ruime hok en liet zien erg hard te kunnen rennen.
De Bengaalse tijger konden we letterlijk aanraken als we dat hadden gewild. Het beest lag erg ontspannen tegen het hek aan. Tussen haar en ons zat niet meer dan 30 centimeter ruimte. Toch waagden we het maar niet om het schitterende dier aan te raken. Niet vanwege een beet van haar, maar ook niet vanwege de boete die er staat op het voederen en plagen van beesten in dierentuinen. De boete bedraagt 2.000 rupees of 6 maanden gevangenisstraf of beide! Met name die gevangenisstraf spreekt niet erg aan.
De dieren zaten allemaal in ruime hokken (nou ja, een hok is altijd erg klein voor een tijger die in het wild een territorium heeft van enkele tientallen vierkante kilometers) en de dieren zagen er goed gezond uit.
Teruglopen naar Darjeeling duurde niet veel langer dan 30 minuten en eenmaal terug in Darjeeling deden we ons bij Glenery’s tegoed aan een kopje thee met een lekker gebakje. Heerlijke caloriebommen, maar van harte welkom na enige inspanning.
’s Avonds aten we met z’n vieren in het John Ross Restaurant. Dit is een vegetarisch restaurant met zuid Indiase specialiteiten. Nou, ons kon het eten nit echt bekoren.
Na het eten liepen we terug naar het hotel en namen we een lekkere warme douche en kropen daarna lekker onder de veren.


5 december 2007

Na het ontbijt bij Glenery’s liepen we naar het Happy Valley Tea Estate. Vanaf de hoofdweg moesten we een behoorlijk eindje afdalen tussen de theestruiken door naar een oud en slecht onderhouden gebouwtje met verroeste golfplaten daken. Voor het gebouwtje stond een aantal mannen, waarschijnlijk te wachten op gasten. Een van de jonge mannen stapte op ons af en bood aan om ons rond te leiden. De jongen liet ons alle fasen van het verwerken van de vers geplukte theeblaadjes tot bruikbare thee zien. Niet alleen het gebouw bleek oeroud; ook de machines die in het gebouw stonden waren letterlijk een eeuw oud.
Het schijnt twee dagen te duren voordat de vers geplukte theeblaadjes zijn verwerkt tot verpakte thee.
We sloten de rondleiding af (natuurlijk) met het kopen van een pakje verpakte thee voor 150 rupees (2,50 euro). Dit was overigens ook de prijs die op de verpakking was voorgedrukt.
Na het beszoek aan de theeplantage begonnen we aan onze zoektocht naar een visum voor de provincie Sikkim. Hoewel dit visum gratis verkrijgbaar is, moet er wel het een en ander voor gedaan worden. Eerst moet op het bureau van de Magistraat van Darjeeling een formulier worden ingevuld. Dit formulier wordt gestempeld en met het gestempelde formulier moet je dan naar het kantoor voor de Foreigners Administration. Daar moet je je laten registreren en nadat je bent geregistreerd, krijg je een tweede stempel op het formulier. Met dit formulier ga je terug naar het bureau van de Magustraat van Darjeeling, alwaar het visum wordt verstrekt middels een stempel in het paspoort. Ietwat bureaucratisch en het vergt een behoorlijke tijd, omdat de kantoren tamelijk ver van elkaar verwijderd zijn.
Maar goed... na we op het kantoor van de Magustraat de eerste stempel hadden gekregen op het formulier, liepen we terug naar Darjeeling. Onderweg passeerden we de Botanische Tuin en we besloten daar even een bezoekje aan te brengen. We hadden het echter al snel gezien. Het was de verkeerde tijd in het jaar om de tuin te bezoeken (vrijwel niets stond in bloei, natuurlijk), maar daarnaast was de tuin ook helemaal niet mooi. Er was erg veel mos overal en de paar kleine kassen die er stonden waren niet geopend.
Wel was een kas met orchideeen geopend. Hoewel vrijwel alle planten schitterend bloeiden, was het aanbod van verschillende orcideeensoorten erg beperkt.
In de bazaar was het een drukte van belang en we waren om die reden hier snel uitgekeken. In plaats daarvan, liepen we naar het Park Restaurant, waar we moeite hadden om iets van al het eten dat we hadden besteld te laten staan. Het was zelfs erg moeilijk om niet de vingers er bij op te eten. Wat een heerlijk eten! Het restaurant moet haast werl goed zijn, want het zat er stampvol met Indiers; wij waren de enige toeristen.
Na de lunch liepen we naar het ernaast gelegen kantoor voor de Foreigners Administration, waar we onze tweede stempel kregen. We liepen naar het stationnetje van Darjeling om te kijken naar de vertrektijden voor ons Toy Train ritje van morgen.
Om 19.00 uur liepen we naar de Hill Cart Road (de enige doorgaande weg door Darjeeling), waar we wachtten op de jeep met Fred en Madelon erin. We wisten niet om hoe laat ze zouden aankomen, maar onze eigen berekening zei dat het ergens tussen 19.00 uur en 19.30 uur zou moeten zijn. Toen we langs de weg stonden, viel het op dat er maar weinig auto’s uit de zuielijke richting (Siliguri) kwamen. Maar rons 19.30 uur stopte er dan toch eindelijk een jeep waar ze uitstapten.
Bepakt en bezakt liepen we naar ons hotel en na het inchecken liepen we snel naar het Park Restaurant voor het avondeten. Daar moesten we niet al te lang meer mee wachten, want de restaurants sluiten tamelijk vroeg (uiterlijk 21.00 uur).


6 december 2007

We ontbeten, natuurlijk, bij Glenery’s met schitterend uitzicht op de besneeuwde bergen. We ontbeten samen met Fred en Madelon en na het ontbijt gingen we ieder ons eigen weg. Wij liepen naar het stationnetje waar we achter in de rij aansloten voor het loket van het toy treintje. We moesten eerst (heel bureaucratisch) een formulier invullen voordat we onze kaartjes konden kopen. De trein van 09.50 uur bleek te zijn geannuleerd en we moesten nu wachten op de trein van 10.40 uur. Tot die vertrektijd zaten we lekker in het zonnetje en genoten we van het uitzicht. Ook bekeken we de bezigheden op het stationnetje. Zo werden de stoomlokomotieven gereedgemaakt voor vertrek.
Soms werden we aangesproken door niet opdringerige verkoopstertjes van sjaaltjes. Vrolijk lachend probeerden ze de sjaaltjes aan de man te brengen en vrolijk teruglachend gaven we aan er niet in geinteresserd te zijn, waarna de verkoopsters op zoek gingen naar het volgende slachtoffer. Om 10.50 uur zette ons locomotiefje zich al steunend en hijgend in beweging. Tergend langzaam trok het locomotiefje de twee treinstelletjes voort, onder constant gefluit. Onze bestemmin zou het plaatsje Ghoom zijn, dat 1 kilometer zuidelijker ligt.
Onderweg werd tien minuten gestopt bij een loop in het spoor. Het uitzicht op de besneeuwde bergen was nog steeds schitterend. In Ghoom werd 30 minuten gestopt. We liepen naar een Tibetaans klooster, waar een monnik de gebedsruimte voor ons opende. Die was lang niet zo mooi en indrukwekkend als een klooster in Tibet zelf, maar het gaf wel weer evenhet gevoel terug te zijn in Tibet.
Na een half uurtje namen we de trein terug naar Darjeeling. Toen het treintje bij een andere (en groter) klooster echt stapvoets ging rijden vanwege werkzaamheden aan het spoor, besloten we om uit te stappen en een bezoekje te brengen aan dit klooster. Ook nu opende een monnik de gebedsruimte. Die was vele malen groter dan die van het klooster dat we eerder bezochten.
Klik op foto voor vergroting
We moesten hier wel de schoenen uit doen en dat betekende dat we op onze sokken over de steenkoude vloer moesten lopen. Minder aangenaam. De monnik gaf nog wat toelichting bij de beelden en bij de foto’s die her en der stonden c.q. hingen. Opallend waren de foto’s van de Dalai Lama; die zie je in Tibet niet. Dezegebedsruimte evenaarde een echt Tibetaans klooster
We mochten nog even een kijkje nemen in de bibliotheek. De gebedsboeken lagen keurig achter glas in de kasten. Toen we de bibliotheek verlieten, kregen we een klein boekje van de Dalai Lama van een van de monnikken.
Bij het ziekenhuisje van het klooster doneerden we een paar honderd rupees. Keurig werd voor de ontvangst van de donatie een ontvangstbewijsje uitgeschreven.
We liepen over de Hill Cart Road terug naar Darjeeling. Geen aangename wandeling met al het rondrazende verkeer, het opwarrelende stof en het getoeter van het verkeer. Onze longetjes wisten toch nog wat zuurstof uit de lucht te halen!
Bij het stationnetje namen we een paadje naar boven, waar we uitkwamen bij het Park Restaurant. Maar voordat we gingen lunchen wisselden we eerst voor US$ 200 aan traveller’s cheques. Die dingen hadden we nog over van de wereldreis en aangezien je tegenwoordig toch vrijwel overal kunt pinnen, heb je ze niet meer zo zeer nodig. Wij moesten er nu dus ook hoog nodig eens van af.
Bij het Park Restaurant namen we een Tom Yam soepje. “Medium spicey alstublieft”, vroegen we aan de ober  maar de vlammen sloegen al snel uit mond, neuw en oren! Gelukkig bracht het  naan-broodje en de cola verkoeling.
Na de lunch spoedden we ons naar het kantoor van e Magistraat voor onze derde stempel en het uiteindelijke visum. Er was (weer) geen wachtrij en als snel stonden we met een Sikkim permit weer buiten.
We liepen weer langs de bazaar en daar was het vrij rustig. Niet vreemd overigens, want alle winkels waren dicht. Voor de winkels hadden echter andere kooplui hun waren uitgstald en het leek nu echt op het Watelooplein in Amsterdam.
’s Avonds aten we met Fred en Madelon bij Glenery’s.


Sikkim, 7 december 2007

Vandaag zouden we op weg gaan naar Sikkim. Het einddoel voor vandaag zou het plaatsje ‘Pelling’ zijn. Na het ontbijt pakten we de rugzakken in en rekenden we de kamer af. De van te voren afgesproken prijs bleek inclusief belasting en service charge te zijn. Een meevallertje, aangezien we hier niet op hadden gerekend.
We liepen naar de Hill Cart Road. Bij een kantoorje van de jeeps naar Sikkim kochten we zes plaatsen voor ons viertjes in een jeep. De jeep zou niet verder gaan dan naar Jorethang. Daar zouden we over moeten stappen op een andere jeep.
We vertrokken een kwartiertje later. De weg was erg slecht en nogal steil. Via allemaal haarspeldbochten daalden we tussen de theeplantages af tot aan de rivier die de provincies West Bengalen en Sikkim van elkaar scheidt. Onderweg probeerde Fred nog enkele foto’s te schieten; iets dat erg lastig was omdat de jeep geen seconde rustig in balans was vanwege het slechte wegdek en de vele bochten. We hadden de grootste lol toen bleek dat er een veiligheidsgordel was gefotografeerd in plaats van een theeplantage!
Even voor Jorethang staken we een klein riviertje over en direct daarna was de grenspost waar we ons moesten laten registreren. Voor het eerst ging dat in een zeer ontspannen sfeer, want de douanier was in een opperbeste stemming. Onze gegevens werden in een enorm groot boek ingeschreven. Wanneer gaat hier de autoatisering doordringen? Het was of we 50 jaar terug in de tijd gingen.
We reden verder naar Jorethang waar we van jeep verwisselden voor de volgende 52  kilometer naar Geysing. Voor deze rit betaalden we 55 rupees, oftwel 1 rupee (0,02 eurocent) per kilometer. Nee, even een correctie. We kochten natuurlijk een extra plaats. Dus is het 0,03 eurocent per kilometer!
De weg was –verrassend genoeg- in uitstekende staat. De weg was vrijwel geheel geasfalteerd en in de open jeep (het lijkt wel of we op safari zijn in Afrika) was het aangenaam vertoeven.
In Geysing moesten we weer overstappen voor de laatste rit naar Pelling, die 20 minuten zou duren. De overstaptijd bedroeg zo’n 5 minuten, want er stond namelijk al een jeep klaar. Deze rit was nog relaxder dan de rit vanaf Jorethang, omdat de chauffeur erg relaxed reed en nauwelijks toeterde.
We werden bij het eerste hotelletje van Pelling afgezet en van daaruit begon onze zoektocht naar een mooie kamer. Hotel Kabur zag er niet uit en we liepen naar de ‘rotonde’ (meer een U-bocht in de weg). Daar lag hotel Phamrong, waar we enkele kamers bekeken. Die zagen er eigenlijk best goed uit. De vraagprijs van 1800 rupees was echter veel te veel en dus besloten we om verder te kijken, alhoewel de prijs inmiddels was gezakt tot 1200 rupees.
We bekeken een aantal van de in de Lonely Planet vermelde hotels in de buurt van de helikopter landingplaats. Daar waren de kamers echt overpriced en wilde men niet erg zakken met de prijs, hoewel het op dit moment echt laagseizoen is.
We liepen terug naar Hotel Phamrong, waar Marjolijn en Fred bij de bagage stonden te wachten. De receptionist van hotel Phamrong had z’n prijs laten zakken tot 700 rupees. Dit werd snel door ons geaccepteerd, omdat we de kamer bij Phamrong eigenlijk het mooiste vonden (geen tapijt op de vloer!!). In het grote hotel waren nu twee kamers bezet!
We liepen door het een straat tellende dorp en belandden bij Cafe-restaurant Tatoopani (Tatoonani betekent ‘hot spring’). We namer er een biertje. Met 8% was het biertje behoorlijk sterk en met 80 rupees was het ook nog eens goedkoop!
Het cafe werd met een heater warm gehouden, maar het was als een druppel op een gloeiende plaat. De heater had veel te weinig capaciteit en de isolatie is ronduit slecht (het dak bestond uit plastic zeil!). Een ‘live’ bandje speelde muziek en zorgde voor gezelligheid.
Nadat we een hapje hadden gegeten, liepen we in het donker terug naar het hotel om snel onder de veren te duiken (wat zijn wij blij dat we de slaapzakken mee hebben genomen, zeg!)


8 december 2007

Als je denkt dat je in dit uitstorven oord een nachtje rustig kunt doorslapen, dan kom je bedrogen uit. Als een stel rothonden je je niet uit de slaap houden met hun geblaf, dan zijn het wel een stel monnikken uit een naburig klooster.
Rond 02.00 uur werden we gewekt door rare geluiden. Al snel bleek dat die rare geluiden het blazen op zeeschelpen was. Al snel hierna hoorden we mantra’s. Het was notabene 2 uur ‘s-nachts! Afijn, na een tijdje hield het gluid op en sliepen we verder.
Om 06.15 uur stonden we op. We schoven de gordijnen open en …. zagen witte wolken om de toppen van de bergen en dus kropen we snel weer onder de veren.

Om 08.00 uur ontbeten we in een groot en nieuw hotel. Het hotel was zo nieuw, dat er nog niet eens een menukaart beschikbaar was. We bestelden maar toast en een gebakken eitje; dat is in ieder hotel beschikbaar. Veel meer inspiratie voor een gevarieerde ontbijtkaart hebben ze niet in India.
Na het ontbijt gingen we op weg naar Yuksom. In het hotel hadden we een luxe auto geregeld (een redelijk nieuwe Toyota Land Cruiser) voor Rs 1.300. De chauffeur zou ons naar enkele bezienswaardigheden brengen, waaronder enkele watervallen, een heilig meer en het plaatsje Yuksom.
De weg was deels verhard, maar voor een groot deel ook onverhard. Aan verbetering van de weg werd wel hard gewerkt. Langs de weg zaten op grote hopen steentjes mensen stukken rots stuk te slaan tot kiezels. Even verderop staan mannen rond enkele tonnen teer, die worden verhit op een houtvuurtje. Zwarte, giftige dampen kwamen uit de tonnen. De kiezels zouden worden vermengd met het teer om zo te verworden tot asfalt.

Bij het heilige meer hielden we een half uur )of zo) halt. Er stond een Tibetaans gebouwtje met een enorme gebedsmolen erin. Het koste behoorlijk wat inspanning om het ding in beweging te krijgen.
Even verderop was een piertje in een meertje gebouwd. Ook op het piertje waren allemaal kleine gebedsmolentjes. Aan het einde van het piertje was een heilige plaats. Indiers staken wierrookstokjes aan en brachten offeranders aan het meertje. Soms in de vorm van stukjes brood, dat direct door de goden –in de vorm van grote vissen- werd verorberd. In de gepelde anderijntjes hadden de vissen minder interesse en die verdwenen direct naar de bodem van het meertje.
We reden verder naar Yuksom. De weg was van nu af aan onverhard en we schoten maar langzaam op. Eenmaal in Yuksom lunchten we bij een van de twee restaurantjes. Het eten was er erg smakelijk. Na de lunch bezochten we twee tempels; de eerste was gesloten en de andere tempel was niet echt interessant. Voor de tempels is de omweg niet de moeite. Voor de rest is er in Yuksom ook niet veel. Dus de hele dagtocht gaat voornamelijk om het landschap, dat schitterend is.
’s Avonds aten we bij Cafe Tatoopaani, waar weer live muziek speelde. Na het eten deden we een kaartspelletje.


9 december 2007

Klik op foto voor vergroting Om 06.00 uur stonden we op, keken we uit het raam en…. zagen een vrijwel onbewolkte hemel en indrukwekkende, besneeuwde bergen in de verte.
De zonsopgang was schitterend. Telkens kleurden de bergen meer en meer rood. Na de nodige foto- en filmopnamen kropen we nog even onder de veren van de slaapzakjes om vervolgens rond 07.30 uur naar restaurant Tatoopani te lopen voor het ontbijt. De kleine heatertjes werden weer snel geinstalleerd, maar konden weinig uitrichten.
Na het ontbijt liepen we naar het helikopterplatform. Volgens de Lonely Planet zou daar vandaan het mooiste zicht zijn op de besneeuwde bergen, maar dat viel tegen. Het zicht werd deels ontnomen door bomen en thans is men bezig met de bouw van weer een nieuw hotel, waarna het uitzicht volledig is geblokkeerd.
Nog snel schoten we enkele foto’s, die binnenkort uniek zijn en daarna liepen we terug naar ons eigen hotel. Onderweg zagen we hoe de lokale bevolking bezig was beton gereed te maken en te storten voor het volgende hotel. Geen vrachtwagens of betonmolens; alles wordt handmatig gemixd en met behulp van plastic zakken naar de plaats van bestemming gebracht.
De ietwat opdringerige receptionist bood aan om ons voor Rs 1.300 naar Kalimpong te brengen, maar het duurde een eeuwigheid voordat hij met z’n auto voor kwam rijden. Omdat het zondag was en er weinig verkeer was, namen we de eerste mogelijkheid naar Geysing en dat was niet met de receptionist van ons hotel. Jammer voor hem, maar we hadden al 45 minuten wachten erop zitten en we hadden niet veel zin om nog langer te wachten. Zeker niet nadat we hadden gezien dat de auto waarmee hij ons wilde brengen, aangeduwd werd!

In Geysing stapten we over op een jeep naar Jorethang. We hadden weer 6 stoelen gekocht, dus de auto zat zo ‘vol’. Met ons –op de middelste bank- reisden vier volwassen Nepalezen en twee kindertjes mee. Ondanks dat zij krap zaten en wij ‘ruim’, hadden ze de grootste lol.
In Jorethang moesten we weer overstappen. Dit keer op een jeep naar Kalimpong. We hadden nu wat minder mazzel met de jeep; die was oud en de veren in de banken waren bij elke bocht te voelen, die de chauffeur met een te hoge snelheid nam. Hij reed onaangenaam hard.
Bij de grenspost van Sikkim met West Bengalen, moesten we ons natuurlijk weer laten registreren. De technische revolutie was hier doorgedrongen, want we werden geregistreerd in een computer. Een tamelijk langzame douanier tikte onze gegevens in in een spreadsheet. Dat ging volgens een collega van hem niet snel genoeg, want die ging de gegevens opnoemen.
Het bijzondere is dat zowel de paspoortgegevens als de visumgegevens worden genoteerd. Die zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, dus een van die registraties is overbodig, mits een geautomatiseerd systeem zou worden gebruikt. Tot die tijd wordt alles geregistreerd. En waarom eigenlijk? Zou er iemand zijn die de in- en uitgaande bewegingen van de toeristen ooit zou controleren om dan te constateren dat er ooit wellicht van een overtreding sprake is geweest?
We stapten terug in de jeep, die ons via de grensbrug naar de andere kant van de rivier bracht. Daar moesten we overstappen in een gereedstaande jeep voor de laatste paar kilometers naar Kalimpong.
In Kalimpong werden we bij de jeep-standplaats afgezet en namen we een taxi naar het J.P. Lodge. Alleen de naam al. De voorletters wekte meteen een associatie op met een minister president. Kan nooit wat zijn en dat bleek ook wel toen we enkele kamers hadden gzien.
Terwijl er twee achter bleven bij de bagage, liepen de ander twee naar Deki Lodge. De kamers zagen er daar een fractie beter uit en we besloten daar heen te gaan. We kregen kamers in het ‘nieuwe’ en overpricede deel van het guest house.
’s Avonds aten we bij Gompu’s Bar & Restaurant in het centrum. Het eten was erg smakelijk, maar dat kan niet worden gezegd van de stugge bediening door een kauwgomkauwende en niet Engelssprekende jongen (ober zou teveel eer zijn).


10 december 2007

The dogs were restless tonight again. Wat een herrie was het.
Nadat we waren opgestaan, gingen we direct op zoek naar een andere lokatie om de nacht door te brengen. Waar we nu zaten was te basic en het water in de douche werd geleverd door een keukenboilertje, waardoor een fatsoenlijke douche nemen er niet bij zat.
Hotel Cloud 9 was niet veel beter en het nagelegen Kalimpong Park Hotel was met Rs 2.000 ietwat prijzig. Dat hotel had echter wel karakter.
We belandden uiteindelijk bij het hotel “Holumba Haven”. Dit was het helemaal. Karaktervolle bungalowtjes stonden in een ruime tuin vol met planten, dieren (korhoenders, ganzen, eenden, konijnen, kippen en helaas honden), orchideeenkassen en bijenkorfen.. Voor iedere maand van het jaar was er een bijenkast.
Met een taxibusje reden we van het ene naar de andere onderkomen. We vroegen de chauffeur even te wachten toen we bij Holumba Haven waren, zodat hij ons na het inchecken naar de Tharpa Choling Gompa zou kunnen brngen. We vroegen hem om 5 minuten te wachten. Het werden 5 Indiase minuten, maar dat verschil zou hij niet hebben gemerkt.
Omdat we nog twee nachten in Kalimpong zouden blijven, was nu mooi de gelegenheid om een wasje te laten den. Dus gaven we een grote plastic tas vuile was af.
De zeer vriendelijke eigenaar van het hotel regelde bij de taxichauffeur dat hij eerst langs een papierfabriekje zou rijden voordat hij ons zou afzetten bij het klooster. Het papierfabriekje was klein en het proces van het papiermaken was eigenlijk kinderljk eenvoudig. De bast van de Daphneboom (eigenlijk een ‘onkruid ’ volgens de man die ons rondleidde, omdat de boom verder nergens voor werd gebruikt) werd eerst gekookt en daarna verpulverd. De verpulverde bast wordt vervolgens in een bak water gegooid, waarna met behulp van een zeef een dun laagje vezel wordt gezeefd. Deze zeef is ongeveer 50x100 centimeter groot. Vervolgens wordt het water uit het papier geperst en worden de vellen papier in de zon te drogen gelegd. Klik op foto voor vergroting
In het kleine winkeltje dat bij het fabriekje hoorde, kochten we twee lampjes van papier en hout. De lampjes waren dusdanig gevouwen, dat ze makkelijk te vervoeren zijn, maar ze zijn zo fragiel, dat we ons afvragen of ze het einde van de reis wel halen. En zo niet, dan hebben we onze donatie aan het fabriekje in ieder geval gedaan.
Bij de Tharpa Choling Gompa opende een ietwat kreupele, maar zeer vriendelijke en vrolijke monnik al snel de deuren van de gebedsruimte voor ons. Fotograferen was toegestaan in de gebedsruimte, maar die maakte op Fred en Madelon meer indruk dan op ons.
Buiten de gebedsruimte waren enkele monnikken aan het cricket spelen en zij waren daarin zeer bedreven. Een ietwat minder vriendelijke monnik, die aan slag was, zag ons schijnbaar als doelwit, want de bal kwam gevaarlijk dicht langs ons. Waarschijnlijk was dat niet echt de bedoeling, maar hij scoorde er wel de nodige punten mee. Wel leuk om de –in de regel zo bedeesde- monnikken zo te zien spelen.

We liepen via de Db Giri (main) road terug naar het centrum van Kalimpong. Aan deze straat zijn allemaal ‘groothandels’ in buddhistische artikelen gevestigd, waaronder gebedsvlaggen, Thanka’s, kleding voor monnikken en andere zaken die je in het klooster tegenkomt. De ‘groothandels’ zijn kleine winkeltjes die aan andere winkels in heel India hun spullen verkopen. Particulieren kunnen daar ook kopen, tegen behoorlijk voordeligere prijzen dan in ‘reguliere’ winkels. Zo hadden we bijvoorbeeld in een straat parallel aan de Main Road een Tibetaanse ceremoniele hoorn gezien. In die winkel vroegen ze er 7.000 rupees voor. In de Main Road vonden we diezelfde hoorn voor 1.700 rupees. De eigenaar gaf aan slechts 125 rupees aan de verkoop te verdienen. De anderhalf meter lange –koperen- hoorn zag er mooi uit. Fred wilde er ook wel een en dus verlieten we de winkel met twee, stevig ingepakte, ceremoniele hoorns.
’s Middags bezochten we de Durpin Gompa, die helemaal aan de rand van de stad ligt en we bezochten het Bhutanese klooster in het centrum. In dit laatste klooster, dat er wat architectuur betreft, duidelijk anders uitziet dan een Tibetaans klooster, waren 8 monnikken aan het bidden onder zwaar getrom op de trommels.
’s Avonds dineerden we in het hotel. Vanochtend hadden we bij de receptie aangegeven dat we dat wel graag wilden. Er was geen menukaart; we moesten maar eten wat de pot schafte.
Het eten was erg lekker, uitgebreid en veel. De ‘ober’ schepte iedere keer weer op. Verhongeren zouden we in ieder geval niet.


11 december 2007

Na het uitgebreide ontbijt (weer een soort all-you-can-eat principe) in het hotel wilden we gaan wandelen in de omgeving. De eigenaar wist wel een paar wandelroutes in de omgeving. Een daarvan was in de buurt van het plaatsje Lava. Dit plaatsje ligt op 1 ½ uur rijden (36 kilometer) van Kalimpong. De eigenaar regelde een taxi met chauffeur voor de hele dag (700 rupees). De chauffeur zou ons eerst naar een klooster en de wekelijkse markt in Lava brengen en zou ons op de terugweg afzetten op de beginplek van de wandeling. Hij zou de weg uitleggen (de wandelroute is eigenlijk een looping van de weg langs een dorpje) en aan het einde van de wandelroute weer op ons wachten.
Het klooster in Lava werd verbouwd, dus de ene gebedsruimte konden we niet bezoeken en een ander deel van het klooster was niet toegankelijk voor niet genodigden. Toen we enigszins teleurgesteld van het terrein wilden lopen, werden we door een monnik gewezen op een andere gebedsruimte. Toen we die binnengingen waren we even verbaasd, want de ruimte zag er helemaal niet traditioneel uit. Er was een schitterende houten plafond en in de wandkast stonden honderden buddha-beeldjes.
De markt in Lava was niet bijzonder. Lava is maar een klein dorpje en de markt was dan ook niet erg groot. We hadden dan ook al snel onze aandacht verlegd naar een restaurantje om van een lunch te genieten. We bestelden fried momo’s en drankjes voor ons vijven (de chauffeur lunchte natuurlijk gezellig mee) en we waren voor de hele lunch 150 rupees kwijt (2,50 euro)
Na de lunch bracht de chauffeur ons naar het beginpunt van de wandeling. We konden kiezen voor een korte wandeling van ongeveer 4 kilometer of een lange tocht van ongeveer 8 kilometer. We kozen natuurlijk voor de langere tocht. De chauffeur gaf bij het beginpunt aan dat we bij de eerste splitsing rechts moesten aanhouden en voorts de weg blijven volgen. Een kind kon de was doen.
In plaats dat we helemaal alleen zouden zijn, wat we verwachtten, liepen er meerdere mensen over de onverharde weg. Het waren allemaal bewoners uit de omgeving. De weg voer door een bos en onderweg liepen we door een klein dorpje. Uit de borden langs de weg af te leiden, was ieder huis in het dorpje een hotel, lodge of een resort. Wij vroegen ons af wie hier nu zou komen. Het dorpje ligt namelijk niet aan een doorgaande weg en die weg is ook nog eens onverhard. Die kan alleen door een jeep bereden worden.
Aan het einde van de wandeltocht bleek dat men druk bezig was om de weg te verbeteren. Veel vrouwen waren stukken rotsblokken aan het fijn hakken en de mannen maakten de ondergrond voor het asfalt gereed. Weer verderop was men bezig met het verhitten van het teer. Dit gebeurde weer door tonnen teer te verhitten. We stonden een tijdje te kijken en ons hevig te verbazen over het werk. Slavenarbeid! En dat terwijl een asfalteermachine hetzelfde werk in een fractie van de tijd kan verrichten.

De chauffeur bracht ons terug naar Kalimpong, waar we ons lieten afzetten in de hoofdstraat bij “3C’s”. Dit is een soort van bakkertje, waar ze enkele broodjes, ijs, gebakjes en drankjes verkopen. We namen er kaascroissants, chocoladecroissants en kleine puntjes taart. Alleen aan de Nescafe waagden we ons maar een keer; dat was weer 3-in-1 Nescafe, dus met melk en vreselijk veel suiker. We liepen nog een laatste rondje door het centrum en kochten nog enkele souvenirtjes; alle Tibetaans. In Tibet waren we de souvenirs die we nu kochten niet tegengekomen of we hadden we op dat moment geen oog voor. Dat kan natuurlijk ook. We aten weer bij Gompa’s, waar de bediening nu van een hoger niveau was dan eergisteren.


12 december 2007

Na bijna het klokje rond te hebben geslapen, werden we gewekt met een kopje thee,dat een van de bedienden bij ons bungalowtje kwam brengen. Het potje thee werd nu om 07.30 uur bezorgd.
We ontbeten in het restauantje van het hotelletje. Tijdens het ontbijt kwam de eigenaar even controleren of alles naar wens was. Fred stelde de eigenaar een vraag over zijn orchideeen en van het een kwam het ander en voor we het wisten hadden we een uitermate boeiend gesprek over de positie van India in de wereld, de arbeidsomstandighedn en de leefomstandigheden in India, de politieke gevoeligheden tussen India en Pakistan en tussen India en China niet te vergeten. Hij gaf aan dat India eigenlijk een zeer groot aantal staatjes bij elkaar gehouden is, om als tegenwicht tegenover China te staan in Azie. Het westen zou India met man en macht trachten als een eenheid te bewaren tegenover China waarvan Napoleon als zou hebben gezegd dat het een slapende tijger is, die we vooral moeten laten slapen. De angst voor China is in dit gebied wel zichtbaar in de vorm van de vele militairen en militaire bases.
Het voedsel voor de Indiers schijnt voor 60% van de prijs te worden gesubsidieerd door de overheid. Zou die staatsteun wegvallen, dan zou vrijwel iedereen in de problemen geraken en zou het land binnen de korste keren ontwricht worden.
Het schijnt dus zo te zijn dat de eeuwenoude vriendschap tussen India en China sinds een jaar of vijftig is omgeslagen in vijandigheid en dat dit veroorzaakt is door de Engelse strateeg Younghusband die zo’n 50 jaar geleden Tibet binnentrok vanuit India.
Om 09.45 uur moesten we het gesprek toch echt beeindigen, helaas. Onze chauffeur zou namelijk om 10.00 uur voor ons klaar staan om ons naar Bagdhogra te brengen. Het was hetzelfde mannetje als gisteren. Gistermiddag waren we best tevreden over dit vriendelijke baasje, dat iedere ochtend een Engelse krant kocht omdat een leraar hem dit had aangeraden. De chauffeur had niet al te veel opleiding genoten, maar was zich er zeer van bewust dat hij alleen verder kon komen door zich op de Engelse taal te storten. Omdat we zo tevreden over hem waren, hadden we hem gevraagd of hij ons vandaag naar de luchthaven zou willen brengen; een opdracht die hij met veel plezier aannam.
De rit zou 2½ uur duren en we calculeerden een half uur extra in voor eventuele calamiteiten. Daarnaast moesten we ruim twee uur van tevoren inchecken, dus we moesten ‘vroeg’ vertrekken.
Dat calamiteiten half uurtje, hadden we wel nodig, want we waren nog maar nauwelijks op weg en de chauffeur reed door een spijker en lek was de achterband.
Onze vriendelijke chaufeur bleek wel vaker met dit bijltje te hebben gehakt, want voor dat we het wisten konden we al weer verder rijden op de reserveband.
Even verderop werd gestopt bij een bandenplakcentrale. Nou ja… het was niet veel meer dan een hokje langs de kant van de weg. Een jonge jongen plakte snel de binnenband en een half uurtje later konden we weer verder rijden. Ondertussen doodden wij de tijd door ons te verbazen over alle voertuigen die langskwamen en het aantal mensen dat op het dak van de gammele vervoersmiddelen zat.
De weg liep vrijwel de hele tijd parallel aan de rivier. Op deze rivier kan ook geraft worden en dat zou best wel spectaculair zijn geweest als we dat hadden gedaan. Maar helaas, dat hadden we niet gedaan.
In de rivier zagen we ook enkele electriciteitscentrales in aanbouw. Er wordt behoorlijk hard gesleuteld om waterkrachtcentrales aan te leggen en het is indrukwekkend om te zien hoe zulke enorme installaties worden gebouwd.

Rond 12.45 uur waren we op de luchthaven. We namen afscheid van onze chauffeur, die (gelukkig) direct passagiers had voor de terugweg. Het is hem echt gegund.
Op de luchthaven begon het bureaucratische gedonder weer. Stempeltje hier, stempeltje daar. Bij de incheckbalie wilde de grondstewardess ons laten betalen voor ons overgewicht. We mochten ieder 15 kilo meenemen en we hadden bij elkaar 65 kilo; 5 kilo teveel. Die extra kilo’s zaten in onze weekendtas, waarin onze jassen en fleece truien zaten en dus gaven we aan dat we in dat geval de jassen wel om onze middel bonden. Al snel kwam de grondstewardess erachter dat dit niet veel in de situatie veranderde en ze besloot onze weekendtas dan maar zonden bijbetaling in te checken.
De handbagage moet om onduidelijke reden door het rontgenapparaat om daarna alsnog visueel gecontroleerd te worden. De douanier wilden de camera’s werkend zien en dus zetten we die aan. Het is een hoop ‘belangrijk willen doen’ bij die gasten, denken we maar.

Air Deccan was weer te laat. Leuk is het dan om in het inflight magazine weer te lezen hoe enthousiast het bedrijf zelf is over haar eigen service. Mooie praatjes, maar weinig resultaat. Maar goed… het gaat erom dat ze ons veilig van A naar B brengen en daaraan hielden ze zich.

Met een uur vertraging kwamen we aan op Delhi, waar het op het vliegtuigplatform een chaos van een jewelste is. Bussen rijden kris-kras door elkaar heen, tractoren ontwijkend en er is maar een reden om te stoppen en dat is voor een passerend vliegtuig, want die maken ook gebruik van het vliegveld. Er lijken maar twee wetmatigheden te gelden voor het verkeer op de luchthaven van Delhi; vliegtuigen hebben te allen tijde voorrang en er mag niet getoetert worden. Voor de rest zou het zo een willekeurige weg in India kunnen zijn. Van de week lazen we nog in de krant dat een vliegtuig een jackhals had aangereden op de startbaan. Ach… dat is weer eens wat anders dan een heilige koe!
Onze chauffeur stond al op ons te wachten (waarschijnlijk al een uur) met een bordje met onze namen erop in zijn handen. We liepen naar de auto, die geblokkeerd werd door andere auto’s die dubbel geparkeerd stonden. Gelukkig zijn de Indiers niet zo slim om de auto in de versnelling te laten staan of op de handrem te zetten, dus we konden de auto die onze auto blokkeerde zo weg duwen. Die ‘botste’ tegen z’n voorganger aan. Daarna konden we aansluiten in de rij voor het betaalkantoortje van de parkeerplaats.

Hotel Arpit Palace zag er niet echt bijzonder uit. De kamer was ruim (we hadden de Maharadja-kamer), maar was erg gedateerd. De badkamer zag er zelfs zeer matig uit. Wel had de kamer een mooie breedbeeldtelevisie en een dvd-speler, maar dat was dan ook het enige dat de kamer een luze uitstraling moest geven. Gelukkig was het bed goed.
Na het inchecken liepen we naar de kamer, waar we onze chauffeur de aanbetaling overhandigden. We kregen geen betalingsbewijs en toen we daarom vroegen, zei de chauffeur dat hij het betalingsbewijs was en dat hij ons de komende 16 dagen zou rondrijden.
Maar goed… ons betalingsbewijs vertrok en wij moesten maar hopen dat we ons betalingsbweijs de volgende ochtend weer zouden terugzien.

We aten bij een zuid Indiaas –vegetarisch- restaurant en toen we na het eten, via de markt, terugliepen naar het hotel, waren alle winkels al gesloten. De rolluiken waren naar beneden en de levendigheid op straat werd veroorzaakt door staatverkopers, schoenpoetsers en het laatste winkelende publiek.
Terug op de hotelkamer begon het gezeik waarop we niet hadden gewacht en waarvan we waren uitgegaag dit te vermijden door alles van te voren vast te leggen. Rattan, degene die de rondreis voor ons had georganiseerd in India hing aan de telefoon. Naast de 700 euro aanbetaling die we al hadden verricht, wilde hij graag nog eens 300 euro, omdat hij alle hotels al vooruit zou hebben betaald en hierdoor was hij een beetje krap bij kas komen te zitten. Wij gaven aan niet erg gelukkig te zijn met deze wending in de gemaakte afspraken en we gaven aan er de volgende morgen op terug te komen.


13 december 2007

We hadden er allemaal gemengde gevoelens bij toen gisteravond onze chauffeur wegreed meet onze € 700,-, zonder dat we een overeenkomst op papier hadden getekend of een betalingsbewijs hadden gekregen. De scepcis nam nog verder toe na het telefoontje van Rattan, waarin hij om nog eens € 300,- aanbetaling vroeg. Maar goed… we sliepen er niet minder om blijkbaar, want we werden vanochtend uitgeslapen wakker.

Nadat we ons in de kleren hadden gehezen, gingen we op zoek naar een ontbijtlokatie. In de straten om ons hotel was nog alles gesloten. Alleen enkele schoenpoetsers en schoonmakers bevonden zich op straat. Nou ja, schoonmakers was helaas teveel eer voor deze zogenaamde ‘onaanraakbaren’. Deze mensen behoren tot het allerlaagste sociale milieu (wat is dat kaste-systeem toch een rot systeem) en deze mensen sorteren het afval of nog anders gezegd: deze mensen halen die dingen uit het afval waarin zij zich hebben gespecialiseerd. Zo zijn er mensen alleen op zoek naar lege plastic flessen tussen het afval, of alleen maar blik etc. En dat gewoon in de straten van Delhi.

Het enige winkeltje dat open bleek was van Nescafe. Het winkeltje was deze ochtend nog niet zo lang open, want alles werd nog in gereedheid gebracht voor een nieuwe exploitatiedag. We namen we een grote (papieren) beker koffie, maar het was de ouderwetse Nescafe; smakeloos en slap.
Dan maar terug naar het hotel, waar we op het dakterras ontbeten. Het was behoorlijk koel en een beetje mistig.

Om 10.00 uur hadden we afgesproken met de chauffeur bij ons hotel, maar op dat tijdstip verscheen er niemand. Wel belde Rattan naar de receptie van het hotel. De receptionist gaf de hoorn aan ons. Rattan wilde graag (een positief) antwoord hebben op de vraag of wij nog eens € 300,- wilden aanbetalen, waar wij negatief op reageerden. Wij gaven aan ons aan de gemaakte afspraak van 50% betaling vooraf en 50% betaling achteraf te houden en we maakten er meding van dat de chauffeur nog niet was verschenen.
Hierop reageerde Rattan erg geirriteerd. Hij zei dat hij alle hotels al vooruit had betaald en nu in geldnood kwam en dat hij anders wel ons geld terug kwambrengen en dan moesten we het maar zelf uitzoeken. Hij had ons niet nodig als klant. En wat de chauffeur betreft, hij moest van ver komen en zou daarom wat later zijn. Wij bleven stom verbazing achter door de reactie van Rattan en waren van mening dat je je zo niet opstelt als ondernemer en dat voor beide partijen geldt afspraak = afspraak. Notabene... hij had toch alle hotels al vooruitbetaald? Waarom dan ons geld teruggeven??

Gelukkig verscheen de chauffeur rond 10.30 uur. We waren al niet al tevreden met de vertrektijd van 10.00 uur geweest, maar dat kon volgens de chauffeur niet anders, omdat hij om 10.15 uur de aanbetaalde € 700,- af moest geven in een kantoortje in het centrum van Delhi.
Om 10.30 uur vertrokken we dan eindelijk. Eerst inderdaad naar het kantoortje ergens op Connaught Place. Op weg naar het kantoortje belde Rattan op de mobiel van de chauffeur en deze gaf zijn mobiel aan Remco. Rattan verontschuldigde zich voor zijn opstelling van zojuist en gaf aan alleen de goede dingen te onthouden en de slechte dingen te vergeten. Persoonlijk zien we de slechte dingen, zoals de uitspatting van Rattan, liever helemaal niet gebeuren en houden we alleen nog maar goede dingen over.

Waarom we nu naar het kantoortje op Connaught Place moesten, werd ons niet duidelijk. We hadden gisteravond onze aanbetaling gedaan, dus die had ook wel zonder ons afgegeven kunnen worden, of we hadden de administratieve afhandeling gewoon nu zelf kunnen doen en de aanbetaling gisteravond dus kunnen uitstellen tot nu. Eén van de twee was overbodig.
Maar goed…. nadat het geld was afgegeven, konden we rond 11.00 uur dan eindelijk op weg. Dat wil zeggen, toen verlieten we Connaught Place; down town Delhi! Dan is het nog een klein uurtje rijden tot aan de rand van de stad!

De hele weg naar Junjunu was het mistig. Naarmate we Junjunu verder naderden, werd het landschap (vanzelfsprekend) landelijker en leken we nog eens tientallen jaren terug in de tijd te gaan. De weg was over het algemeen best redelijk te noemen, wat inhoudt dat stukken asfalt zeer goed was, maar dat er ook zeer slechte stukken tussen zaten. Naarmate we de grote stad verder achter ons lieten, werden ook de middelen van vervoer anders. Steeds meer zagen we kamelenkarren in plaats van auto’s op de weg. Van sommige kamelen waren de haren zodanig in figuurtjes geschoren, dat ze een natuurlijke versiering hadden.

Het landschap werd droger en droger, terwijl we de op twee na grootste woestijn ter wereld inreden. Ondanks dat we in de woestijn waren, stonden er her en der nog groene bomen. Kuddes schapen en geiten waren bezig de woestijnvorming te verergeren en veel koeien liepen op we weg of lagen te rusten in de berm.

De chauffeur stopte bij een zogenaamd “Midway-restaurant”. Zo’n restaurant staat min of meer halverwege twee grote plaatsen en is puur georienteerd op toeristen die in busladingen tegelijkertijd arriveren. Een soort wegrestaurant dus, maar dan wel een van het ergste soort.
Als je het gebouw waarin het restaurant zich bevindt binnenkomt, loop je allereerst door een souvenirwinkel waar alles niet twee, maar vijf keer te duur is. Vervolgens wil je iets in het restaurant gaan eten en krijg je een menukaart voor je met prijzen zie ook zo’n vier keer te hoog zijn (een 500 ml flesje cola kent in India een op het flesje voorgedrukte Maximum Retail Price (MRP) van 20 Rupees; deze restaurants vragen 80 rupees exclusief 12,5% service charge. Inclusief service charge is dit 96 rupees. Honderd rupees is 1,70!).
Het eten is echter niets mis mee in de zin dat je er niet snel ziek van zult worden. Bijzonder is het eten zeker niet.
Klik op foto voor vergroting Na de lunch reden we verder naar Junjunu, waar we tegen het einde van de middag aankwamen. De chauffeur wilde na het inchecken ons direct naar enkele Haveli’s (*) in Junjunu brengen en dus gingen we weer op weg. Er zouden twee haveli’s zijn, maar we bekeken er maar een. Toen we aan kwamen lopen, werden de deuren voor ons geopend en leidde een jongen ons rond. Het huis zag er best aardig uit met enkele vervaagde wandschilderingen.
Na het bezoek aan de Haveli, reden we verder naar de Rani Sati Tempel. Deze grote en mooie tempel is zeer bekend en geliefd bij de Indiers en is gewijd aan een vrouw die zelfmoord (=Sati) pleegde nadat haar man was overleden, om samen met hem verder te reizen in het hiernamaals.
De tempel was erg groot en er was een aantal aanbidders aanwezig. Enkele daarvan vertelden ons iets over de afbeeldingen die aan de muur waren geschilderd.
’s Avonds aten we in het restaurant dat bij het hotel hoorde.

(*) een Haveli is een voormalig doorgangshuis voor handelsreizigers. Hier konden de handelsreizigers overnachten, terwijl de Haveli’s zelf weer in handen waren van plaatselijke handelaars.


Bikaner 14 december 2007

Na een rustig nachtje slapen, gingen we om 09.00 uur op weg naar Bikaner. Toen we wegreden uit Junjunu was het nog behoorlijk mistig, maar –vreemd genoeg – deze verdween spontaan toen we Junjunu verlieten. Het zonnetje was weer teruggekeerd! De route naar Bikaner zou gaan via Mandawa en Fatehpur, twee steden die bekend staan vanwege de Haveli’s. In Mandawa vroeg de chauffeur of we gebruik wilden maken van een gids die ons langs enkele Haveli’s zou leiden en er iets over zou vertellen. De chauffeur gaf aan dat 100 rupees achteraf als fooi voldoende zou zijn. Een jongeman leidde ons inderdaad rond en vertelde een interessant verhaal over de Haveli’s. Enkele huizen waren gerenoveerd en andere zagen er minder goed uit. De straten waar we door liepen, waren allen onverhard en we liepen langs loslopende koeien, ezels, geiten, honden etc.
Na afloop van de interessante rondleiding eindigden we natuurlijk in het winkeltje van zijn ‘familie’ en die bleken allemaal te tekenen. We keken uit belaafdheid even rond en daarna bracht hij ons terug naar de auto. We liepen natuurlijk langs enkele winkels in het centrum van Mandawa, maar het viel op dat de verkopers (nog) niet zo opdringerig waren en ze accepteerden allemaal gelaten een “nee, dank u” van onze zijde.

We reden verder naar Fatehpur, waar ook weer een gids klaarstond om ons rond te leiden. Zoals gebruikelijk werd ons weer gevraagd naar ons beroep en naar het aantal kinderen dat we hadden, om zo de prijs achteraf te kunne bepalen. Onze gids had wel vijf studerende kinderen, dat we dat maar even wisten.
De rondleiding was interessant, hoewel ere bij de eerste Haveli al een confrontatie ontstond met de vrouw van de concierge (notabene!). De haveli’s worden door de eigenaars als tweede huis gebruikt tegenwoordig. Er is nauwelijks nog handel in deze omgeving en de handelaars zijn allemaal weggetrokken naar de grote stad. De Haveli’s in Rajahstan worden tijdens de afwezigheid van de eigenaars bewaakt door concierges.
Oke dus, de vrouw van de concierge was ontevreden over de fooi die we haar man gaven. Ze zaten beide op een frame van een oud bed in de tuin en hadden geen boe of bah gezegd. Toen we de haveli wilden verlaten gaven we deze mensen voor hun niet bewezen dienst een fooitje, dat dus te weinig was volgens de vrouw van de concierge. Andere toeristen zouden meer geven volgens haar. Verwend kreng! Moet ze er wel iets voor doen, zoals bijvoorbeeld groeten als er toeristen binnenkomen.
Aan het einde van de toer wilde de gids 200 rupees hebben (“Give me 200 rupees!”; de Indiers communiceren tamelijk direct!), maar we volstonden met 100 rupees, net als z’n collega in Mandawa.
Voordat we in de auto stapten, kochten we flesjes frisdrank in een klein winkeltje. Dan hoeven we namelijk niet tegen absurde prijzen drankjes te kopen in het Midway restaurant, dat we aan zouden doen. En ja hoor, binnen 10 minuten stopten we bij een Midway restaurant.

Rond 16.30 uur kwamen we aan bij het hotel in Bikaner. We checkten in en dronken iets in het cafe dat bij het hotel hoorde en daarna liepen we naar het Lallgarh Palace. We wilden daar gaan eten, maar onbedoeld eindigden we in het restaurant van Laxmi Niwas Palace. Het Lallgarh en het Laxmi Niwas hotel zijn gevestigd in hetzelfde paleis, dat tijdens de erfenis in twee gelijke stukken is opgedeeld tussen de twee zonen. Het hele paleis was ooit eigendom van een Maharadja.
Toen we het Laxmi Niwas hotel binnen wilden gaan, werden we bij de receptie aangesproken door de receptionist. Hij vroeg ons of dit de eerste keer was dat we hier kwamen. Wij antwoorden daar bevestigend op, waarop hij zei dat hij ons dan het hotel graag wilde laten zien. Gewapend met een bos sleutels ging de receptionist ons voor. Eerst liet hij ons de bar zien, met aan de muur de nodige jacttroffeeen. Vervolgens liepen we naar de speelkamer. Naast de nodige speeltafels zoals schaak en biljart, hingen hier ook iets teveel ogen aan de muur. Deze eerste twee kamers waren gewoon voor een ieder toegankelijk, maar nu volgden kamers die speciaal voor ons werden geopend. Het waren de wachtruimte voor de gasten van de Mahatadja en de slaap-/ werkkamer van de maharadja. De eerste was met name bijzonder vanwege de mooie muurschilderingen, de tweede was zo bijzonder, omdat hij was ingericht alsof de Maharadja die avond nog zou terugkeren om in die kamer te gaan slapen. De receptionist liet ons nog veel meer van het hotel zien en nam ons o.a. mee naar het dak. Omdat het hotel sfeervol verlicht was, was dit het ultieme moment om mooie plaatjes bij nacht te maken.

Na de rondeleiding mochten we dan eindelijk naar het restaurant lopen. Dit was onder andere gevestigd in de binnenplaats. We namen plaats aan een keurig, met echt tafellinnen gedekte tafel. Bedienden in traditionele kleding en met tulbanden op hun hoofden, schoven de stoelen aan toen we plaatsnamen.
We kregen een klein beetje de indruk dat dit wel eens een zeer duur avondje kon gaan worden, maar toen we de menukaart bekeken, zagen we dat het met die Maharadjaanse prijzen eigenlijk wel meeviel. Met zo’n 250 rupees per hoofdgerecht (4 euro), 80 rupees voor de rijst en 60 rupees voor een liter mineraalwater, was het niet duurder dan die vreetschuur dat zich Midway Restaurant noemt. Hier is het echter honderd keer sfeervoller en gezelliger.

Toen het eten werd geserveerd, werd het keurig door de bediening op het bord uitgeserveerd. Fantastische service!
Tijdens het eten werd live muziek opgevoerd recht voor ons neus. Een klein meisje danste er vrolijk op los. Na het eten lieten we ons Maharadjaans door een gammele, stinkende en rokende tuk tuk terugbrengen naar het hotel.


15 december 2007

We ontbeten in het restaurant van het hotel, dat zich op de bovenste etage van het hotel bevond. Er was ook een groot dakterras, maar het was te fris om buiten te gaan zitten. Vanaf het dak was het uitzicht over Bikaner indrukwkkend, met her en der munumenten, zoals paleizen en het fort.
Het ontbijt was zowaar goed te noemen. De kaasommelet en de kaastoats die we namen waren beide rijkelijk gevuld met kaas en had derhalve een goede smaak.
Om 09.45 uur bracht onze chauffeur Surinder ons naar het fort. Daar zouden we iemand ontmoeten, die later op de dag een kamelensafari voor ons zou kunnen organiseren. Fred en Madelon hadden aanvankelijk erg weinig zin in een kamelensafari, maar toen we waren overeengekomen ‘slechts’ maximaal drie uur op een kameel te hoeven zitten, gingen ze toch overstag. We kwamen met de kamelenherder overeen dat we voor 700 rupees per persoon een drie uur durende safari zouden maken.

Nadat we voor de entree van het fort hadden betaald, konden we direct aansluiten bij de verplichte gids. De groep bestond uit ongeveer 15 toeristen. Het fort zag er zeer indrukwekkend uit, maar wellicht hadden we gisteravond al een mooier paleis gezien. Veel kamers in het paleis waren nog ingericht, wat het beeld er mooier op maakte. Helaas ging de rondleiding in een moordend tempo, dat we probeerden te verlagen door overal wat langer te blijven staan. Maar dan misten we soms de uitleg.

Na het bezoek aan het fort reden we naar de Lakshiminath en de Sandeshwar tempels, die gelegen zijn in het zuidelijke deel van de stad. Het zijn beide zogenaamde ‘Jain’ tempels. De tempels waren niet erg bijzonder, behalve dan voor het feit dat we op blote voeten door de duivenschijt moesten lopen. Helaas stikt het in India ook van die vliegende ratten. En hoewel veel mensen in India niets te doen hebben, is er niemand die de tempels een beetje schoonhoudt.

De kamelendrijver zou ons op komen halen bij het hotel om 14.00 uur. Voor die tijd lunchten we in het jhotel.
Met een jeep werden we nog zo’n 40 kilometer naar het zuiden gebracht voordat we op een kameel konder stappen. In een klein dorpje langs de weg begonnen we aan onze ‘safari’. We klommen allemaal op onze eigen drommedaris en liepen vervolgens langzaam de woestijn in. Zo af en toe zagen we een eenzame antilope staan. De beesten waren helemaal niet schichtig en we konden ze tot op een meter of twintig naderen. Schijnbaar zijn ze niet bang voor drommedarissen.

We reden ruim een uur de woestijn in en hielden toen en kleine rustpauze. Er werd een geultje gegraven in het zand en er werd ‘brandhout’ verzameld. Alles wat kon branden werd in de geul gelegd, waarna het hout werd aangestoken. Bovenop het vuurtje werd water verhit voor thee.
Na de theepauze reden we terug naar het dorpje. Het laatste stukje ging door het dorp. Kinderen riepen ‘Tata’ (of Dada) naar ons en zwaaiden enthousiast als wij voorthobbelden op onze hoge drommedarissen, die al schijtend, windend en plassend doortjokten. Bij de jeep teruggekomen, namen we afscheid van onze begeleiders en vervolgens reden we terug naar Bikaner. Inmiddels was het gaan schemeren, maar dat was geen reden voor de chauffeur om de verlichting van de auto aan te zetten. Als een donker, onzichtbaar object reden we over de weg. De chauffeur maakte zich alleen maar zichtbaar door soms z’n groot licht aan te zetten, bij voorkeur als er tegenliggers aankwamen.

We aten weer majesteus in het Laxmi Niwas hotel en na het eten namen we weer een tuk tukje terug naar ons eigen hotel.


Jodhpur 16 december 2007
Klik op foto voor vergroting Op ons eigen verzoek reden we na het ontbijt eerst terug naar het Fort. We hadden gistermorgen nagelaten foto’s van de buitenkant van het fort te maken. Vanochtend was een uitgelezen moment om dat alsnog te doen.
Op straat was het nog rustig, zodat we ongestoord konden filmen en fotograferen en zodoende on-Indiase plaatjes te schieten (namelijk vrijwel uitgestorven straten). Daarnaast was het licht nu ideaal voor foto’s.
Vervolgens reden we even naar het Lallgarh Paleis om daar ook nog enkele foto’s te nemen.
We verlieten Bikaner en gingen op weg naar Jodhpur. Onderweg zouden we de bekende rattentempel in Deshnok aandoen; iets waar Remco al maanden naar toe heeft geleefd. Nu was het dan eindelijk zover.

Op blote voeten betraden we de tempel, wandelend tussen tientallen kleine ratjes, die zich tegoed deden aan melk en offerandes. Al snel nadat we de tempel binnen waren gelopen, rende een ratje over onze voeten, wat goed nieuws is, want dit betekent ‘goed geluk’.
Het belangrijkste deel van de tempel mochten wij –als niet Indiers- net betreden. Niet dat wij daar rouwig om waren; het ging ons met name om de bijzonderheid van de ratten en niet zo zeer om de tempel. Hoewel we op blote voeten liepen, vonden we het nu minder erg dan gister in de Jain tempel. Het was hier higienischer dan in de Jain tempel.
Na de rattentempel was het nog zo’n 250 kilometer naar Jodhpur. De rit was lang en het landschap was niet bijster interessant.
Rond 15.30 uur kwamen we aan in Jodhpur en nadat we de spullen op de kamer hadden gelegd van het guesthouse waar w zouden overnachten, bracht Surinder ons naar het centrum. Dat bleek toch nog wel een eindje rijden.
Surinder had ons uitgenodigd om een Samosa en een Lassie te proberen. Het schijnt zo te zijn dat de beste samosabakker (een samosa is een gerituurde deelbol met een zeer gekruide groentevulling) en het beste lassie-winkeltje (lassie is een yoghurtdrankje)zich in Jodhpur bevinden. Surinder parkeerde de auto parkeren in de hoofdstraat en daar bevondt zich ook de samosawinkel. Het was een klein winkeltje waar het vreselijk druk was. Er werd direct aan de straatzijde verkocht en de winkel bestond eigenlijk alleen maar uit een balie, aan de straat dus. Achterin de winkel werden de samosa’s door drie mannen in sneltreinvaart gemaakt en naast de winkel stonden enorme pannen met frituurvet, waarin de samosa’s werden gefrituurd. De snacks werden geserveerd op een krant. Dat maakte de smaak er overigens niet minder om.

Een klein stukje verder lopen vonden we het lassie-winkeltje. Ook hier was het erg druk en het ene na het andere lege glas werd afgevoerd. De omloopsnelheid was hier zo hoog, dat er nauwelijks iets mis mee kan zijn. De lassie was heerlijk en we waagden ons aan een tweede glas. Yammie, yammie!.
We liepen nadat we van de lassie hadden genoten nog wat door het oude centrum van Jodhpur. We mijdden de markten waar ook de toeristen kwamen, maar namen juist enkele achterafstraatjes. Smalle straatjes waarvan we niet wisten waar ze naar zouden leiden, maar waar we wel hele kleine ambachtshuisjes zagen. Door de kleine deurtjes konden we naar binnen kijken en zagen we de mensen bezig met het maken van sierraden etc. En dat zien de meeste andere toeristen die in de hoofdstraten blijven nu weer niet.
Overigens was net navigeren door de straatjes niet een al te groot probleem. Als we een doodlopend straatje inliepen, werd ons dat namelijk al snel duidelijk gemaakt door de omwonenden en werd ons de juiste weg gewezen.

’s Avonds aten we in het Garden Restaurant. Dit restaurant maakt ook weer onderdeel uit van een paleishotel. Het eten was er goed en de ambiance was zoals het hoort, net zoals in het Laxmi Niwas Palace. Alleen was de bediening niet zo verfijnd.


17 December 2007

Uitermate ongemanierd personeel bediende ons toen we vanochtend in het Dhillon Guesthouse in Jodhpur wilden ontbijten. De ontbijtkaart werd op de tafel geworpen zonder dat de ‘ober’ iets zei en daarna slofte hij terug naar iets dat voor een keuken met doorgaan.
Vervolgens kwam iemand met een drietal boeken waarin we onze gegevens moesten noteren. Aan bureaucratie geen gebrek in India. In zeer gebrekking Engels werd ons een aantal keer verzocht onze gegevens in de drie schriften te dupliceren.
Tot overmaat van ramp kwam de vrouw van de eigenaar zich er ook nog mee bemoeien en legde zij ook nog drie keer uit dat we ons moesten registreren.
Toen we de eigenaar van het guesthouse zagen, deden we ons beklag over de herrie die er gisteravond was. Deze werd veroorzaakt door andere toeristen. Zij zaten aan een tafeltje dat zich op een meter afstand van onze kamer bevond te borrelen en zich goed te vermaken. Surrinder had gisteravond al tot twee keer toe een opmerking hierover geplaatst, maar zonder resultaat en nu werd ook onze klacht weggehoond met de opmerking dat zoiets maar een keer per jaar gebeurde. De eigenaar van Dhillon guesthouse heeft blijkbaar weinig respect voor zijn gasten.
De lassie die Remco bij het ontbijt had besteld was niet goed geweest, zo bleek later die dag. Hij had goed gesmaakt, maar de suikers hadden verhuld dat er iets niet goed was, want de hele dag had Remco een opgezet gevoel in z’n maag. Dat gevoel werd pas aan het einde van de middag weggenomen, toen het hele ontbijt er weer van boven uitkwam.
Klik op foto voor vergroting Vandaag stond een bezoek aan het fort op het programma. Op weg naar het fort, dat op een heuvel hoog boven de stad uittornt, stopten we bij de Jaswant Thada. Dit is een enorm, wit marmeren graftombe van de maharadja en zijn familie. Het schitterende gebouw werd bevolkt door vliegende ratten (duiven). Die durfden waarschijnlijk niet uit te vliegen vanwege een vijftal roofvogels die in de lucht optimaal gebruik maakten van de thermiek rond de heuvel waarop het fort en de Jaswant Thada is gebouwd.
Om de videocamera te mogen gebruiken, moet in de Jaswant Thada 2 ½ keer de toegangsprijs voor een volwassene worden betaald. Daar hadden we geen trek in en aangezien het terrein slechts werd ‘beveiligd’ door een beveiligingsbeambte, die niet al te veel zin leek te hebben in z’n werk, filmden we zonder daarvoor te betalen. Vervolgens reden we verder naar het fort.
We kochten entreekaartjes en wilden eigenlijk gebruik maken van een audioguide. Daarvoor moest wel het paspoort achtergelaten worden of 40 euro per stuk borg! Daarop besloten we maar een gids in levende lijve te nemen.
Het Fort was erg mooi, maar de rondleiding ging als een speer. Gelukkig vertraagden we de snelheid die de gids wilde door overal langer te blijven staan en rustig de tijd te nemen voor foto’s.
Na het bezoek aan het fort reden we naar het paleis van de Maharajha. Dit paleis is pas aan het einde van de jaren 40 van de twintigste eeuw gebouwd en is dus nog ‘vrij nieuw’ en niet echt bijzonder.


Mount Abu 18 december 2007

Gelukkig was het bij het guest house rustig, maar nu waren de militairen op de naastgelegen luchtmachtbasis degene die ons uit de slaap hielden. Om de haveklap tussen 16.00 uur en 22.30 uur steeg er een MIG straaljager op.

Om 09.00 uur vertrokken we na een karig ontbijtje. We gingen op weg naar Mount Abu, maar kwamen niet ver; de achteras van de jeep gaf er de brij aan en in een slakkegangetje reden we naar de dichtstbijzijnde Toyota dealer, waar we zo’n 2 ½ uur in de showroom keken naar drie exact dezelfde auto’s die daar uitgestald stonden. We kregen thee aangeboden, maar in het kopje konden we de bodem niet zien. Niet dat het kopje zo diep was, nee…. de thee was zo zwart en sterk!
Ondertussen werden beide achterassen bekeken en bleek een ervan in dusdanig slechte staat te verkeren, dat deze vervangen moest worden.
Met een nieuwe achteras gingen we dan om exact 12.00 uur op weg naar Mount Abu. Nu maakte de auto op een heel ander punt een angstig geluid. De remschoenen waren namelijk ook losgehaald en dat betekent (als je ze niet vervangt maar terugplaatst) dat deze altijd weer opnieuw moeten ‘vormen’. Tot die tijd maken ze een vreemd geluid. Wij hoopten dan ook dat we niet weer met een garagebezoek zouden worden verblijd. Het landschap veranderde onderweg van kleur. Het werd steeds groener, wat erop duidt dat er meer water voorhanden is. Het landschap werd er helaas niet minder saai op.
Op de weg was het niet zo relaxed. Nogal wat vrachtwagenchauffeurs zijn levensmoe en halen in op momenten dat dat echt gewenst is. Ik zou graag willen gebruiken ‘op momenten dat dat niet kan’, maar het kan wel. Als de vrachtwagens inhalen, betekent dat dat anderen de berm in moeten! Bijzonder is overigens dat er momenten in overvloed zijn waarop er geen tegenliggers aankomen voor deze vrachtwagenchauffeurs, maar dan halen ze niet in.
Onderweg werden we overigens twee keer geconfronteerd met het feit dat vrachtwagenchauffeurs echt levensgevaarlijk zijn; de eerste keer was een vrachtwagen rechtdoor gereden in een bocht, waarna de chauffeur zijn verhaal waarschijnlijk niet meer heeft kunnen navertellen en een tweede keer waren drie vrachtwagens betrokken bij een ongeval, waarbij twee vrachtwagens volledig waren uitgebrand en de derde er ook niet best meer uitzag.

Tegen het einde van de middag kwamen we aan in Mount Abu. Voordat we het dorp in reden, moesten we eerst zo’n twintig kilometer heuvelopwaarts. Langs het kronkelweggetje zaten om de zoveel meter grijze apen. Met hun zwarte gezichten hielden ze iedere auto die langsreed in de gaten, in de hoop dat een raampje naar beneden zou gaan en er voedsel naar hun toegeworpen zou worden. Het voeren blijkt illegaal te zijn. Surinder zei dat borden langs de weg aangaven dat het voederen en mishandelen van dieren (waaronder het doden van dieren) bestraft zou worden met een fikse geldboete of minimaal drie jaar gevangenisstraf.
Net voordat we Mount Abu binnen reden, belde Surinder met Rattan en kreeg hij de naam van het guesthouse door waar we de nacht zouden doorbrengen. Het bleek het eerste guesthouse te zijn in het dorp en dat lag zo’n 4 kilometer uit het centrum. Het was een zogenaamd ‘paying guest house’wat zoveel inhoudt als het goedkoopste van het goedkoopste.

De kamer was welliswaar ruim, maar de matrassen waren flinterdun en er zou geen warm water zijn, waardoor we niet konden douchen. We legden de spullen in de kamer en daarna wilde Surinder meteen naar de tempel rijden. Wij hadden echter meer behoefte om even de benen te strekken dan direct naar de tempel te rijden en we gaven aan dat we graag in het centrum afgezet wilden worden.
We liepen wat door het centrum. Het had zeer veel weg van Valkenburg. Zeer toeristisch. Het meer was mooi gelegen, maar nogal vies. Het water was groen van de algen, wat overigens een zeer bijzondere foto opleverde. Op het meertje dreven waterfietsen, maar alleen een echte held waagt zich op het water, laat staan erin.
’s Avonds wilden we in het Madras restaurant gaan eten. Dit restaurant staat in de Lonely Planet, maar het is zeer de vraag of deze vermelding wel juist is. Toen we het terras van het restaurant opliepen, werden we afgeschrikt door de ranzige tafelkleedjes op de tafeltjes en dito stoelen. De eigenaar gaf aan dat het er binnen een stuk schoner uitzag, maar wij lieten alle hoop varen en gingen naar een naastgelegen restaurant. We maakten nog wel opmerking naar de eigenaar van het Madras Restaurant dat alles er te smerig voor woorden uitzag.
Het naastgelegen restaurant was splinternieuw en zag er brandschoon uit. Het was 18.00 uur en we wilden graag het een en ander bestellen. Maar het meest dat op de kaart stond, was pas na 19.00 uur beschikbaar. Hierop verlieten we ook dit restaurant en moesten we een stukje lopen naar het Lake Palace hotel. Dit hotel ligt tegen een heuvel en kijkt mooi uit over het dorp en het meer. Het eten was er uitstekend en de ambiance is zoals het hoort in een restaurant.
Surinder kwam ons om 20.30 uur ophalen in het centrum om ons terug te brengen naar het paying guesthouse. Daar eenmaal aangekomen, wilden we ons beklag doen over de hotels bij Surinder. We gaven heel duidelijk aan dat we Surinder niet verantwoordelijk hielden voor de matige hotelkeuze, maar dat we niet echt blij waren met de hotels en de ligging ervan. Surinder gaf –terecht- aan dat Rattan hierover ging en dat we dit met Rattan moesten bespreken. Al snel hadden we Rattan aan de telefoon die al snel weer aangaf dat wijzigingen van hotels niet mogelijk waren en dat we ons geld anders wel terg konden krijgen en dat hij de chauffeur zou terugroepen. Na weer zo’n uitval van Rattan, gaven we aan niet langer meer direct met hem te willen communiceren. Surinder kreeg de telefoon terug van ons en ging praatte verder met Rattan. Later zouden we van Surinder vernemen dat Rattan hem had gezegd terug te keren naar Delhi, maar Surinder had dit geweigerd.


Udaipur 19 december 2007

Ondanks het flinterdunne matras, hebben we toch goed geslapen. Het was lekker rustig en krekels domineerde het geluid buiten de kamer.
De eigenaar kwam ‘s ochtends naar onze kamer. Hij vroeg of we ontbijt wilden en verontschuldigde zich dat hij er gisteravond niet was toen wij aankwamen. Hij gaf aan dat hij in Jodhpur was. We gaven aan dat we het ontbijt elders zouden gaan genieten. Gisteravond hadden we namelijk in het centrum een filiaal gezien van “Cafe Coffee day” en we hadden het vermoeden dat daar wel eens erg lekkere koffie geserveerd zou kunnen worden.
Surinder bracht ons naar het Cafe. Voordat we daar naar binnen gingen, controleerden we bij twee naastgelegen hotels de kamers en de prijzen ervan, want we wilden graag vergelijkingsmateriaal hebben voor als we een gesprek zouden aangaan met Rattan.
We waren namelijk niet tevreden over de hotels die hij voor ons had gereserveerd. De hotels vroegen 600 danwel 1100 rupees per nacht en de kamers zagen er heel redelijk uit. Voor Rattan zou er dus geen reden zijn geweest om iets anders dan bijvoorbeeld deze twee hotels midden in het centrum te boeken. Toch lag ons paying guesthouse zo’n 4 kilometer buiten het centrum.

We namen een grote kop cappuchino en groot is echt groot. Ook namen we een kleine pizza, die keurig in een oven werd opgewarmd. Hoewel we nu niet direct denken aan pizza voor ontbijt, smaakte die toch een stuk beter dan altijd maar die droge toast met een eitje.
We sloten af met een stukje chocoladetaart.

Na het ontbijt reden we naar de Jain tempel en werd ons duidelijk waarom Surinder daar gisteravond nog snel heen wilde; de tempel is namelijk tot 12.00 uur gesloten voor niet-Jain aanhangers. We moesten het dus doen met enkele blikken op de buitenkant van de tempel. Gelukkig was de omgeving schitterend; mooie bergen, palmbomen en her en der een ‘stuw’meertje in een riviertje, zodat er een echte oase ontstond. Ook het gebrek aan getoeter en aan uitlaatgassen was een zeer welkome afwisseling.

Tegen 11.00 uur gingen we op weg naar Udaipur. De eerste 20 kilometer ging bergafwaarts. We reden langs een groot aantal apen die weer langs de weg zaten te wachten op iets lekkers. Toen we Surinder vroegen om even te stoppen om de apen vanuit de auto te fotograferen, bleek dat we flinke close ups konden maken, want binnen de korste keren zaten de apen –tot grote ongenoegen van Surinder en tot groot genoegen van ons- op de motorkap van de auto. Echte schooiers zijn het.
De hele weg naar Udaipur was een ramp. Het hele traject van 180 kilometer ligt onder constructie. De weg wordt gewijzigd van een kronkelig tweebaans weggetje in een grote vierbaans snelweg. Letterlijk en figuurlijk overal werd aan de weg gewerkt en kleine stukjes snelweg die al gereed waren, waren ook voor ons beschikbaar. Stukken berg worden weggeblazen om de weg aan te kunnen leggen en tientallen bruggen en bruggetjes worden gebouwd.
Rond 15.30 uur kwamen we aan in Udaipur en werden we afgezet bij het Lake View Hotel. De kamers die voor ons gereserveerd waren, hadden echter geen lake view. We hadden kamers aan de achterzijde van het hotel met zicht op een blinde muur en een van de kamers bevond zich naast de receptie. Toen we protesteerden tegen een kamer bij de receptie, gaf de receptionist aan dat er geen andere kamer beschikbaar was. Hierop besloten we zelf maar op zoek te gaan naar een ander hotel.
We vonden een redelijke hotelkamer in het Raj hotel. Dit hotel is gebouwd in een oude haveli.
Tot het avondeten deden we niet veel bijzonders meer. Het avondeten genoten we op het dakterras van het Jagat Niwas Palace Hotel. We hadden nog net geluk, want er was nog slechts een tafeltje vrij. Vanaf het dakterras hadden we een schitterend uitzicht over het meer en op de paleizen die in het meer zijn gebouwd op eilandjes. We zagen de zon ondergaan boven het meer en we zagen langzaam de lichtjes aangaan in het paleis in het water. Iedere 5 minuten was het uitzicht weer anders en dus genoten we volop. Het eten was ook fantastisch, dus genoten we dubbelop. Tijdens het eten werd er vuurwerk afgestokn bij een van de paleizen. Erg leuk!

Na het eten was het helaas tijd om eens een duidelijke email te sturen naar Rob in Nederland. Rob is de tussenpersoon in Nederland voor zijn vriend Rattan in India.
In de email gaven we aan niet gecharmeerd te zijn van de hotels (te eenvoudig in verhouding tot de overeengekomen prijs) en de ligging ervan (zeer ver uit het centrum) en dat we van de houding van Rattan al helemaal niet gecharmeerd waren.
Nadat de email was verzonden, liepen we terug naar het hotel. Eenmaal terug in he hotel kwam Surinder met zijn telefoon naar ons uitreikend aangelopen. Het bleek dat hij Rob aan de lijn had. Remco sprak ruim een half uur met Rob en kwam overeen dat als de hotels ons niet aanstonden dat we zelf een alternatief konden zoeken en dat we aan het einde van de reis zouden overeenkomen welk restantbedrag er nog door ons zou worden betaald.


Udaipur 20 december 2007

Vanochtend ontbeten we met een pizza Margarita in het restaurant naast het hotel. Ook dit keer smaakte dat beter dan toast met ei. De pizza was echt lekker!
Na het ontbijt liepen we naar het City Paleis. We kochten entreebewijzen en een ticket voor alle camera’s, maar we namen geen audioguide of gids.
In het paleis stonden her en der voldoende verklaringen en er waren zoveel gidsen tegelijkertijd bezig met hun ronde, dat je van iedere gids wel wat mee kon pikken. Het verschil tussen ons en de groepen met een gids, was dat zij veel sneller weer buiten stonden. Hoewel het paleis zeker erg mooi was, vonden we de inrichting minder verfijnd dan in het fort van Bikaner.

’s Middags liepen we wat rond door Udiapur. Drie uurtjes vrij rondlopen door de straatjes met winkeltjes aan weerzijde, waar bij ieder winkeltje een opdringerige Indier stond die onze aandacht probeerde te trekken. Consequent negeerden we ze allen op de verkoper van een winkeltje na. Dit betrof een zeer klein juwelierszaakje. De eigenaar liet ons rustig rondkijken en kwam pas in actie toen we erom vroegen. Uiteindelijk kochten we een zilveren(?) bandje met belletjes voor d’r enkel.
De eigenaar gaf aan dat hij klanten altijd met rust liet en dat dat het meeste effect sorteerde. Een Indier op de 1,1 miljard die dat door heeft. Matige score.
Om die reden deden we niet al te veel moeite om af te dingen; de prijs daalde slechts met 25% van de vraagprijs van 400 rupees.
Even verderop in een ander straatje (buiten het toeristencentrum) kochten we een beeldje van Ganesh van een straatverkoper, die op de stoep bezig was het beeldje te maken.
Klik op foto voor vergroting Klik op foto voor vergroting Klik op foto voor vergroting
Om 17.00 uur namen we een bootje voor een tochtje over het meer. Dit tijdstip hadden we speciaal gekozen om optimaal te kunnen genieten van het lichteffect. Zo zouden de laatste stralen van de ondergaande zon op Udaipur schijnen.
De boot voer eerst langs de oude stad om vervolgens het meer middenover te steken naar het eiland met het restaurant. Het andere eiland –waar een duur hotel op is gevestigd en waar scenes van de film Octopussy van James Bond zijn opgenomen- vaarden we alleen langs. Het hotel is schiterend van de buitenkant.
Op het eiland met het restaurant mochten we even van boord. Het restaurant is geheel in de open lucht en de prijzen op de menukaart liegen er niet om.
We genoten van de ondergaande zon en de lampen die langzaam aangingen en de gebouwen op het eiland verlichtten. De omgeving werd op de een of andere manier erg schilderachtig.
’s avonds aten we bi Uday Khoti. We gingen naar het restaurant in twee tuk tuks, die elkaar beconcureerden in de snelheid door de smalle straatjes van de oude stad.
Het restaurant bevond zich op de bovenste etage van een hotel, met natuurlijk uitzicht over een meer. Tevens zaten we naast een schitterend verlicht zwembad, dat overigens op dat moment niet meer werd gebruikt. Het eten, alsmede de bediening was uitstekend. Alleen was er deze avond helaas geen vuurwerk te aanschouwen boven het meer.


21 December 2007

Vanochtend ontbeten we met een kaastoast en een kaasommelet op het dakterras van ons hotel. Het zonnetje scheen weer uitbundig, maar het was nog wel een beetje kil. Na het ontbijt gingen we op weg naar Kumbalgargh. De route naar dit fort dat hoog boven alles uittornt op een bergkam was schitterend, zo niet de mooiste van alle routes die we in Radjahstan hadden gereden tot nu toe. Eindelijk was de weg eens niet saai. We reden over een smalle weg (een auto breed, maar wel met een brede berm aan weerzijden) door een landbouwgebied. Het verkeersaanbod op de weg was uitermate laag. Veel van de landbouwgrond werd bewerkt en de omgeving was daarom tamelijk groen. Er werd veel suikerriet verbouwd.

Al snel zagen we her en der in het land schoepenraderen om water uit een put omhoog te halen en toen we er een in werking zagen vroegen we de chauffeur om even te stoppen. Het schoepenrad werd door twee ossen aangedreven en achter de ossen. Een lange rits met bakjes schepten het water op een diepte van zo’n 8 meter op en brachten het naar boven. Daar werd het bakje geleegd en stroomde het water via allerlei waterweggetjes naar de akkers. Een oud baasje begeleidde de ossen en draaide dezelfde rondjes mee als de ossen maakten. We passeerden enkele kleine dorpjes waar de mannen verveeld voor zich uit zaten te staren en de kinderen enthoisiast naar ons riepen en zwaaiden. Fort Kumbalgargh was mooi om te zien.
Met name het uitzicht was schittered, want in het fort zelf waren niets anders dan gebouwn te zien. Een enorme muur omheinde het terrein en die muur had wel wat weg van de Chinese muur; lang, heuvelachtig en breed.

Klik op foto voor vergroting


Na Fort Kumbalgargh was het toch nog zo’n 1,5 uur rijden naar Ranakpur, alhoewel het op de kaart leek alsof het buurgemeenten van elkaar waren.

In Ranakpur bezochten we weer een Jain Tempel, maar deze was zeer de moeite waard (een must!). We kochten kaartjes voor het gebruik van de videocamera en voor een fototoestel. Waarom zouden we voor meer toestellen gaan betalen als we toch dezelfde plaatjes gaan schieten.
Klik op foto voor vergroting Klik op foto voor vergroting Klik op foto voor vergroting
Bij de ingang werden echter onze tassen gecontroleerd en daarin zaten natuurlijk de andere camera’s. Nou, die kwamen niet naar binnen. Of we ze nu wel of niet zouden gebruiken. Dus moest even iemand achterblijven bij de tassen buiten, terwijl de anderen van de schitterende tempel genoten. Met z’n 1444 zuilen was dit de mooiste tot nu toe!. Het was er brandschoon en heel sereen.

We reden verder naar hotel “Shivika Lake”. Helaas konden we de mening van de Lonely Planet niet delen toen we onze kamers zagen. Het waren wel allemaal twee-onder-een-kap bungalowtjes, maar ze waren niet ‘cosy’ zoals ht boek vermeldt. De kamers waren klein en hadden een stevige opknapbeurt nodig, de bedden waren in de vorm van halve maantjes en sommige kamers stonken nogal. We hadden echter niet vel keuze. We deden een wasje, dat we in de kamer met de plafondventilator aan te drogen hingen.
’s avonds aten we in het hotel, waar niet echt de mest culinaire kok werkte.


22 december 2007

Na een ietwat smakelooos ontbijt (we haddden kaastoast besteld, maar het smaakte alleen naar toast) gingen we om 8.15 uur op weg naar Pushkar. Het werd weer een behoorlijke rit, namelijk van 5 uur en daarmee verlieten we –landschappelijk gezien- een aantrekkelijk deel van Rajahstan en keerden we terug naar het woestijnlandschap. Ook kwamen we weer op de twebaanssnelweg met de levensmoeie vrachtwagenchauffeurs.
Tegen 14.00 uur waren we in Pushkar waar ons hotel weer ver uit het centrum lag. Volgens Surrinder was het maar ‘twee minuten lopen’, maar dat was natuurlijk weer iets te optimistisch. Het tienvoudige kwam meer in de richting. Het hotel had 5 kamers, waarvan er -met onze komst- twee gevuld werden.
Klik op foto voor vergroting Pushkar bleek een kleine plaats te zijn. Volgens het Boek telt Pushkar slechts 15.000 inwoners. Een wonder dat zo’n gehucht dan toch nog op een landkaart van India staat. Het centrum bestaat voornamelijk uit een lange winkelstraat die zich om het heilige meer heeft gedrapeerd. Helaas is er vrijwel nooit direct zicht op het meer, behalve dan bij de Ghats. Dan is er en doorgang, waar ' heilige’ mannen je bloemen aanbieden die je op het water zou moeten leggen. Het Boek heeft ons echter gewaarschuwd voor de minder goede bedoelingen van deze ‘ heilige’ mannen (de bloemetjes schijnen nogal prijzig te zijn) en dus negeerden we ze maar. Geen oogcontact met ze en ook niet groeten. En dat bleek zeer efectief. Klik op foto voor vergroting
We aten een late lunch bij het Moon Cafe. In het restaurant zag het er allemaal erg westers uit, maar wel relaxed. Mensen zaten te schaken of te kaarten aan tafels of lagen in de ‘lounge’ op de grond op een kussen. We bestelden een pizza, die uitstekend smaakte.

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting

Na de lunch liepen we wat heen en weer door de winkelstraat, die verder niet echt bijzonder was (wel veel winkels waar Lonely Planets worden verkocht!). Veel winkels boden hetzelfde aan, waardoor het niet echt een winkelparadijs werd.


Pushkar 23 december 2007

Vanochtend ontbeten we bij het Moon Dance Cafe. Op 08.45 uur waren we de eerste gasten in het restaurant en daarin zou geen verandering in komen. Zelfs toen we het restaurant verlieten, waren we alleen. De meeste toeristen slapen waarschijnlijk hun roes uit. Maar geen roes van de alcohol, want dat wordt in Pushkar (officieel) niet geserveerd.
We ontbeten voor het eerst niet in het zonnetje. De hemel was egaal grijs. Na het ontbijt liepen we nog een rondje door Pushkar. We liepen langs de ghats, waar nu veel meer mensen (met name mannen) aan het baden waren in het gore, groene water. He meer wordt aan drie kanten omgeven door gebouwen en aan de vierde kant is een brug. Onder die brug was iets wat veel weg had van een vuilnisstortplaats.
Wij verbaasden ons erom dat mensen in dit water wilden baden. Sommigen stonden tot hun middel in het water. Wij bleven in ieder geval op gepaste afstand van het water om ieder verdwaald druppeltje dat op ons zou kunnen komen, te vermijden.
Rodn 12.00 uur vertrokken we uit Pushkar en gingen we op weg naar Jaipur. Eigenlijk zouden we twee nachten in Pushkar blijven, maar er is niets te doen. Het is een heerlijk oord om niets te doen. Lekker lezen en uitrusten of zo. En ‘genieten’ van een ‘westers’ ontbijt, zoals een bananenpannenkoek met chocolade.
Op weg naar Jaipur maakten we een klein uitstapje van de 6-baans snelweg naar het grootste zoutmeer van India. Dat was zelfs voor onze chauffeur nieuw. Hij had nog nooit gehoord van het zoutmeer en moest even naar Rattan bellen of deze omweg wel toegestaan was. Toen we de snelweg verlieten, moest in een klein dorpje even naar de juiste weg worden gevraagd, maar uiteindelijk was het rechttoe-rechtaan vanaf de snelweg naar het zoutmeer. Anders dan de schitterende ervaring die we hadden opgedaan in Bolivia, was dit zoutmeer niet verblindend wit, maar grauw grijs. We moesten een stuk lopen vanaf de weg naar de eerste ‘zoutpanne’, waar een vijftig tal mensen bezig was het zout op kegelvormige hopen te scheppen om te drogen. Anderen waren bezig de gedroogde zoutbrokken op een schaal te scheppen, die vervolgens werd geleegd in gereedstaande spoorwagens.
Nadat we de mensen meer naderden, des te meer mensen stopten met werken. Wij waren duidelijk interessanter dan het werk. We filmden en fotografeerden de mensen, wat leidde tot vreselijk veel hilariteit. De mensen waren zeer opgetogen om zichzelf te zien op het beeldschermpje van het fototoestel en voordat Marjolijn het door had, was ze omsingeld door 50 meisjes, jongens, mannen en vrouwen. Een man had dudelijk de leiding over het nu ‘zooitje ongeregeld’. Hij probeerde met alle macht de mensen maar weer aan het werk te krijgen. En dus verplaatsten de mensen zich, voornamelijk bloodvoets en met afgedragen kleding , terug naar de zoutkegels. Als we hadden geweten dat we mensen tegen zouden komen die zo weinig kleding hadden, dan hadden we onze kledingtas hier achter gelaten.

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting

Toen we door een drooggevallen zoutpan terugliepen naar de auto, zagen we dat rechts van ons een oud mannetje op de fiets kwam aangereden. Zijn pad zou ons pad kruizen. Het mannetje had witte kleding aan en een witte tulband stond op zijn pikzwarte gezicht. Hij minderde vaart en stapte van zijn fiets af om zijn handen voor zijn gezicht tegen elkaar te vouwen en ons met ‘Namaste’ te groeten. Wij groetten op eenzelfde wijze terug. Nadat we het ‘fietspad’ hadden gekruisd, besteeg de oude man zijn fiets weer en fietste rustig verder.

Het laatste stuk over de snelweg was niet bijzonder. De omgeving is saai en op de 6-baans snelweg is het even chaotisch als op een tweebaansweg. Zo worden vrachtwagens gerepareerd op de middelse rijstrook (past perfect in het beeld van levensmoeie vrachtwagenchauffeurs), koeien steken de snelweg over, kamelenkarren komen je tegemoet op de rechter rijstrook (in India is dat theoretisch de snelste rijstrook!), mensen steken over op zebrapaden (ooit zebrapaden op een snelweg gezien?) en tenslotte rennen op hol geslagen ezels achter auto’s aan (heten ze daarom ezels?). Afijn, er gebeurt nog eens wat op de Indiase snelweg.

Vanaf de rand vaan de snelweg waren we redelijk snel in het centrum van Jaipur. Toen we een spoorbrug over gingen, viel het op dat veel mensen over de leuning naar beneden keken. Beneden had een enorme lange trein zich verdeeld over enkele paralel aan elkaar gelegen spoorrails. Hij was dus ontspoort. Dit schijnt nogal een groot probleem te zijn in India. Al twee keer eerder hebben wen in een krant gelezen dat treinen waren ontspoort en we lezen eerlijk gezegd erg weinig de krant.

De zoektocht naar een hotel verliep moeizaam. Fred en Madelon hadden op voorhand de hotels die voor ons waren geboekt in Jaipur en Agra afgewezen zonder er eerst te kijken en we moesten nu dus zelf op zoek naar een hotelkamer. Maar rondom de kerstdagen is dat geen eenvoudige klus. De meeste hotels waren volgeboekt en we kwamen uiteindelijk uit bij het Rajahstan Palace, dat naast het door Rattan voor ons gereserveerde guesthouse lag.

’s Avonds aten we bij restaurant Niro’s. Dit restaurant heeft een vijftig jarige reputatie. Het eten was dan ook erg goed en spicey!.


Jaipur 24 december 2007

Toen we vanochtend uit het raam keken , zagen we gelukkig weer een onbewolkte hemel. Op de kamer maakten we een kopje koffie en daarna ontbeten we in de tuin van het hotel. Het ontbijt was weer standaard, maar oké.

Klik op foto voor vergroting

Om 10.00 uur bracht Surinder ons naar het Amber Fort, dat op 11 kilometer van Jaipur ligt en op een heuvel hoog boven het plaatsje Amber uittornt. Dit keer werden we niet totr de voordeur gebracht, maar werden we op de parkeerplaats afgezet en moesten we een stukje tegen de berg oplopen naar het fort. We hadden ook op de rug van een olifant naar boven gekund, maar het schijnt zo te zijn dat de olifanten onder vrij slechte omstandigheden leven en werken. Olifanten horen thuis in het oerwoud en niet in de woestijn, waar te weinig eten en te drinken is en waar de zon vreselijk op hun huiden schijnt en ze niet de mogelijkheid hebben om daarvoor te schuilen, zoals in het oerwoud.
Nu schijnt er in de werksituatie verbetering zijn gekomen sinds 2007. Zo mag een olifant nog maar 5 keer per dag naar boven lopen en mogen ze geen mensen meer naar beneden brengen.
Ook hoeven ze (de meesten althans) niet meer iedere dag vanuit Jaiput naar Amber te lopen en terug (22 kilometer heen en weer). Nu verblijven de meeste olifanten in Amber zelf. Ondanks dat Surrinder dit zei, zagen we tijdens de lunch in Jaipur toch een hele kudde olifanten naar Jaipur lopen.

Het Amber fort was groot en leeg, wat inrichting betreft. Het was zeker niet leeg als het om toeristen ging. De meeste toeristen waren Indiers, die aan het einde van december 10 dagen vakantie hebben.

Een gids bood zijn diensten aan voor een te hoog tarief en bleef ons maar achtervolgens, zelfs nadat we hadden aangegeven geen prijs te stellen op z’n diensten. We kregen namelijk een hele discussie over het tarief dat hij vroeg en wij waren niet bereid daarop in te gaan. In plaats van een echte gids huurden we voor 150 rupees een audio guide. Echter, ook daar waren we vrij snel mee klaar, aangezien de verhalen bij ieder punt oneindig leken en we hadden geen slaapspullen bij ons. We liepen op eigen gelegenheid door het fort, dat er mooi uitzag. Maar na het fort van Bikaner en van Jodhpur, zou geen enkel fort die meer evenaren

Surinder stopte op de terugweg naar Jaipur bij een Cooperatie (CIE), waar tegen topprijzen kwaliteitsspullen worden verkocht. Bijzonder is dat wordt gezegd dat de prijzen vaststaan, maar er lagen overal in de winkel zoveel rekenmachientjes, dat iets anders vermoed wordt. Leuk om even rond te kijken, maar de prijzen beletten je om eens even rustig te gaan shoppen. Wat dacht je bijvoorbeeld van een levensgrote Sakyamuni (buddhabeeld) van marmer voor 325.000 rupees exclusief het verschepen van het beeld. Leuk voor in de serre misschien. Maar dan moeten we die nog wel even laten aanbouwen.

Surinder had een suggestie voor een restaurantje om te gaan lunchen en we vroegen hem om mee te gaan. Terwijl wij een tafeltje aangewezen kregen, bleef onze chauffeur kletsen met de eigenaar van het restaurant. Toen hij zich weer bij ons voegde, bleek dat hij 20% korting op de rekening voor ons had bedongen; iets dat niet echt gebruikelijk is bij restaurants. Het eten was (zoals gwoonlijk) weer erg smaakvol.
Na de lunch werden we naar de Royal Guitor , de graftombes van de Maharadja’s, gebracht. De kassier rekende 20 rupees voor een fototoestel af (de entree voor ons zelf was gratis) en bleek ook onze gids te zijn. In een razend tempo vertelde hij voor wie welke tombe was bedoeld. Het scheen dat de Maharadja’s er meerdere vrouwen op na hielden; een Maharadja had zelfs 900 ‘ vriendinnen’ en over de 100 kinderen!
De tombes waren kleine paleizen. Sommigen waren van marmer en anderen van rood zandsteen. Met name de marmeren tombes waren schitterend en gedetailleerd gebeeldhouwd. De gids wees ons op enkele bijzondere afbeeldingen, die we nog eens rustig bekeken nadat hij zijn verhaaltje had afgedraaid.

Klik op foto voor vergroting

De rest van de middag liepen we door het centrum van Jaipur. Onze chauffeur zette ons af bij het windpaleis. De winkels verkochten maar weinig dingen die voor de gemiddelde toerist echt interessant waren, dus de verkopers lieten ons voor het grootste deel met rust. Het was wel weer mogelijk om enkele mooie foto’s te maken van mensen (mannen met grote snorren en tulbanden, bijvoorbeeld).

Op M.I. Road, de belangrijkste winkelstraat van Jaipur, kwamen we langs een Benneton-winkel, waar we slaagden in he vinden van mooie kleding. Dit was een van de weinige westerse winkels, waar de goederen niet in grote stapels op planken ligt. Dat is bij de meeste winkels wel zo en dat maakt het even lekker rondkijken er niet makkelijk op.
Bij het afrekenen van de kleding was de verkoper zo vriendelijk om op een zodanige manie af te rekenen dat we van een kortingcheque konden genieten. Die kortingcheque kregen we bij een bepaald besteed bedrag en door de kleding in twee keer af te rekenen, konden we de cheque meteen verzilveren. Dat scheelde toch weer 8,50 euro.
Inmiddels was het donker geworden. In een internetcafe-tje probeerden we een kamer te boeken in het Grand Park Inn in Delhi voor de laatste die nachten. Hopelijk gaat dit lukken in deze drukke tijd.
We aten, net als gisteravond, in Niro’s. Voordat we daar binnen gingen, hadden we al in een ander restaurant aan een tafeltje plaats genomen. Dat restaurant zag er echter niet zo gezellig uit en toen de tafel werd gedekt met plastic borden wisten we voldoende; kerstavond zou in een wat betere zetting moeten plaatsvinden dan in een ongezellig restaurant met plastic borden. En dus vertrokken we weer en liepen we naar Niro’s.






Agra XX december 2007



Terug in delhi XX december 2007




Een auto huren in Rajhastan

Er zijn verschillende mogelijkheden om een individuele rondreis met een auto inclusief chauffeur te organiseren. Het eenvoudigste is via een reisorganisatie, maar ook zelf organiseren is niet erg lastig. Wel loop je meer risico, want je moet zelf afspraken gaan maken over welke route je wil gaan rijden, welke kosten wel en welke kosten niet in de prijs die je overeenkomt is inbegrepen etc.

Wij hebben ons vooraf gericht op het internet. Wij zijn individuele reizigers die optimaal willen genieten van de vrijheid en wij willen ons niet beperken tot een vaste route en vaste data waarmee een reisbureau aankomt.

Veel websites van Indiase aanbieders zijn erg beperkt in de informatievoorziening. Veelal beperken deze websites zich tot het tonen van een boekingsformulier. Het is dus even goed zoeken naar een website met wat meer diepgang.
Via het internet belandden we ook op de website van Rob Pijpers (India Individueel). Op de website van Rob staan enkele positieve reacties van reizigers die van de diensten van zijn vriend Rattan in India gebruik hebben gemaakt. Kritische noten worden niet gepubliceerd (zo staat niet op de website dat wij van de diensten van Rattan gebruik hebben gemaakt).

Rob bemiddelt dus op vrijwillige basis voor een vriend van hem in India. Deze vriend -hij heet Rattan- regelt rondreizen door India op basis van auto met chauffeur. Doordat we met Rob in het Nederlands konden communiceren, konden we alle vragen stellen die we wilden en konden we de afspraken goed maken en op schrift stellen. Rob communiceerde onze 'eisen', wensen en afspraken door aan Rattan. Niets leek erop te duiden dat er aan onduidelijkheid iets te wensen overbleef.

Toch ging er van alles fout toen we eenmaal in India waren. Binnen een uur nadat we in ons hotel in Delhi aankwamen aan het begin van de reis door Radjahstan, hing Rattan al aan de telefoon. Hij eisde 300 euro meer aanbetaling, wat tegen de afspraak was. Verder hadden we veel problemen met Rattan in de communicatie. Verder waren de hotels die Rattan voor ons had geregeld beneden het niveau dan we hadden afgesproken. Ook bij klachten hierover, gaf Rattan aan hieraan niets te veranderen. Hij heeft zelfs tot drie keer toe gerdreigd onze reis te beeindigen en ons geld terug te geven; iets waar je niet op zit te wachten als je op vakantie bent.

Al met al kunnen we alleen aangeven dat we de bemiddeling door Rattan niet aanbevelen. Overigens moet wel worden gemeld dat de eerder genoemde Rob Pijpers in deze een zeer nette taak heeft vervuld, door ons zelfs in India vanuit Nederland te bellen om onze problemen met Rattan op te lossen. Verder is Rob zeer behulpzaam.

Klik op foto voor vergroting

Rattan heeft in India alles geregeld, maar was niet onze chauffeur. Dat was Surrinder Arora (zie foto). Surinder is een zeer behulpzame, uiterst zorgvuldige chauffeur, die Rajhastan op z'n duimpje kent. Hij staat letterlijk 24 uur per dag tot je beschikking. Hij kent zeer veel hotels in Radjahstan, waarbij hij in staat is extra kortingen te bedingen. Het is dus zeer goed mogelijk om tijdens de reis door Radjahstan te bekijken welk hotel in de volgende plaats wordt aangedaan. Zodoende behoudt je alle vrijheid tot het kiezen van hotels. Surinder is niet erg spraakzaam, geen verhalenverteller, maar beantwoordt al je vragen. Hij is vegetarier en drinkt geen alcohol. Dit is een zeer groot voordeel, aangezien de meeste chauffeurs 's-avonds aan de borrel gaan.
Surinder is eigen chauffeur die zich laat inhuren door bedrijven die hem nodig hebben, maar is ook zelf direct te benaderen. Zijn emailadres is s1surinder@yahoo.co.in en zijn telefoonnummer in India is 0091 9868511246.
Het is aan te bevelen om Surinder ruim van tevoren te consulteren als je van zijn diensten gebruik wil maken. Wij bevelen Surinder zeker aan.

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting

Klik op foto voor vergroting


=============================================================================================
Wij hebben weer getracht je een indruk te geven van hoe wij dit land hebben beleefd. Heb je op- of aanmerkingen op ons verhaal of heb je gewoon een goede tips, laat het ons dan weten. Stuur een mailtje naar Marrem's reispagina of schrijf een berichtje in ons gastenboek. Je reactie wordt zeer op prijs gesteld!